1. In alle gevallen waarin een getuige wordt gehoord, verhoord of ondervraagd, vraagt de verhorende ambtenaar hem ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.

  2. Indien over de identiteit van de getuige twijfel bestaat kan zijn identiteit worden vastgesteld door middel van een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De verhorende ambtenaar kan de getuige bevelen zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.