1. Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven betreft genoemd in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308, 318 en 372 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Van het voornemen tot het uitoefenen van het spreekrecht geven degenen die daartoe gerechtigd zijn, voor de aanvang van de terechtzitting kennis aan het openbaar ministerie opdat zij tijdig kunnen worden opgeroepen.

  2. Het slachtoffer kan op de terechtzitting een verklaring afleggen.

  3. Het spreekrecht bedoeld in het tweede lid kan ook worden uitgeoefend door de vader of moeder van een minderjarig direct slachtoffer die een nauwe band met dat slachtoffer heeft of door een persoon die dat slachtoffer als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en in een nauwe persoonlijke betrekking tot dat slachtoffer staat. Zij kunnen gezamenlijk of elk afzonderlijk van het spreekrecht gebruik maken.

  4. Het spreekrecht kan, onder overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.46 ook worden uitgeoefend door:

    1. personen die het overleden slachtoffer als behorende tot hun gezin hebben verzorgd en opgevoed en in een nauwe persoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan; en

    2. personen, anders dan genoemd onder a, die deel hebben uitgemaakt van het gezin waartoe het overleden slachtoffer behoorde en in een nauwe persoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan.

  5. Een slachtoffer kan van zijn spreekrecht gebruik maken als hij de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt of als hij, indien hij die leeftijd nog niet heeft bereikt, in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

  6. Indien het slachtoffer de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, kan het spreekrecht door zijn ouders gezamenlijk of elk afzonderlijk worden uitgeoefend.

  7. Voor het slachtoffer dat feitelijk niet bij machte is het spreekrecht uit te oefenen, kan het spreekrecht worden uitgeoefend door de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere levensgezel en één van de andere familieleden.

  8. Artikel 1.5.6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van het spreekrecht.

  9. De voorzitter van het gerecht kan het spreekrecht ambtshalve of op vordering van de officier van justitie beperken of ontzeggen wegens strijd met het belang van het slachtoffer.