1. Het slachtoffer kan stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering tegen de verdachte indienen ter voeging bij de processtukken. Artikel 1.8.4 is van overeenkomstige toepassing.

  2. Het slachtoffer kan verzoeken zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte bij de processtukken te voegen of te doen voegen. Het verzoek is gemotiveerd. Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan het slachtoffer verzoeken om inzage te krijgen in de stukken. Artikel 1.8.5, vierde lid, is van toepassing.

  3. Het slachtoffer kan verzoeken om kennisneming van de processtukken. De kennisneming van bepaalde processtukken kan worden onthouden in het belang van het onderzoek, in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. Het slachtoffer wordt in dat geval ervan in kennis gesteld dat de hem ter kennisneming gegeven stukken niet volledig zijn. Artikel 1.8.8, eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing.

  4. Zolang de berechting niet is aangevangen beslist de officier van justitie op een verzoek als bedoeld in het derde lid. Na de aanvang van de berechting beslist tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de voorzitter van de rechtbank en daarna de rechtbank.

  5. Na het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  6. In de gevallen waarin op grond van artikel 3.5.1 beklag kan worden ingediend, blijft het derde lid van toepassing zolang de termijn, genoemd in artikel 3.5.4, eerste lid, niet is verstreken.

  7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de kennisneming van de processtukken of inzage daarin plaatsvindt.