1. Het slachtoffer heeft recht om voldoende informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van de zaak die betrekking heeft op het tegen hem begane strafbare feit. Dit recht omvat het recht om informatie te ontvangen over ten minste:

    1. het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigen daarvan;

    2. het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte;

    3. het niet vervolgen van een strafbaar feit;

    4. het instellen van vervolging;

    5. de aard van het aan de verdachte ten laste gelegde feit;

    6. de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting;

    7. het eindvonnis, het eindarrest en het arrest van de Hoge Raad in de zaak tegen de verdachte;

    8. het instellen van verzet, hoger beroep en beroep in cassatie door de verdachte en het onherroepelijk worden van het eindvonnis of het eindarrest;

    9. de afzonderlijke beslissing waarbij met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname krachtens de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten wordt afgegeven;

    10. de in het vierde en vijfde lid genoemde mededelingen en over de maatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de maatregel betrekking heeft op door het slachtoffer zelf geleden schade.

  2. De informatie wordt het slachtoffer op zijn verzoek verstrekt. Hij wordt door de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b, c en d, ten minste in kennis gesteld van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Door de officier van justitie wordt hij ten minste in kennis gesteld van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met j.

  3. Het slachtoffer dat daarom verzoekt wordt in kennis gesteld van informatie die hem in staat stelt te beslissen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof als bedoeld in artikel 3.5.1. De kennisgeving van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, omvat naast de beslissing ten minste de motivering van de betrokken beslissing.

  4. De officier van justitie stelt het slachtoffer op zijn verzoek direct in kennis van de invrijheidstelling of ontsnapping van de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt of van de veroordeelde.

  5. De officier van justitie stelt het slachtoffer op zijn verzoek in kennis van de maatregelen die voor zijn bescherming zijn genomen indien de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt of de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld of is ontsnapt.

  6. Indien een aanwijsbaar risico bestaat dat de verdachte of de veroordeelde als gevolg van de kennisgeving bedoeld in het vierde en vijfde lid schade wordt berokkend, blijft de kennisgeving achterwege.

  7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake het recht van het slachtoffer om informatie te ontvangen in verband met de zaak en het in kennis stellen van het slachtoffer van informatie in verband met de zaak.