1. De officier van justitie draagt zorg voor een correcte bejegening van het slachtoffer.

  2. De officier van justitie en andere opsporingsambtenaren dragen zorg voor verwijzing van het slachtoffer naar een instelling voor slachtofferhulp waar zij toegang hebben tot informatie, advies en ondersteuning.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. de toegang van slachtoffers en hun familieleden tot instellingen voor slachtofferhulp, de voorwaarden voor deze toegang, alsmede de financiering, organisatie en werkzaamheden van instellingen voor slachtofferhulp;

    2. een individuele beoordeling waaraan het slachtoffer tijdig wordt onderworpen om specifieke beschermingsbehoeften te onderkennen en om te bepalen of en zo ja in welke mate het slachtoffer, in het bijzonder tijdens het opsporingsonderzoek en het onderzoek op de terechtzitting, van bijzondere maatregelen gebruik moet kunnen maken;

    3. maatregelen tot bescherming van het slachtoffer, waaronder in het bijzonder het minderjarige slachtoffer, en zijn familieleden.

  4. De in het derde lid bedoelde regels omvatten in ieder geval de plicht om het minderjarige slachtoffer of zijn ouders te informeren over alle rechten en maatregelen die specifiek verband houden met het minderjarige slachtoffer.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een goede rechtsbedeling regels worden gesteld die beperkingen inhouden van het aantal familieleden, dat aanspraak kan maken op de rechten vermeld in deze titel en die bepalen welke indirecte slachtoffers bij die aanspraak voorrang krijgen. Dit geldt niet voor de uitoefening van het spreekrecht.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. het gebruik door de instelling voor slachtofferhulp van het burgerservicenummer van het slachtoffer of zijn familieleden;

    2. de gevallen waarin deze instelling voor slachtofferhulp in verband met de uitvoering van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer bevoegd is een registratie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van die wet te raadplegen.