1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 1.4.5, eerste lid, tenzij de wet anders bepaalt.

  2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte afstand van rechtsbijstand wil doen, licht hij de verdachte in over de gevolgen daarvan en deelt hij de verdachte mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.