1. Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij ertoe zal strekken de verdachte bekend te maken met een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te belemmeren, kan de officier van justitie telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of niet, dan wel niet vertrouwelijk, met hem zal communiceren.

  2. Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden bedoeld in het eerste lid; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen raadsman en verdachte niet meer en wordt niet voor een langere duur gegeven dan door die omstandigheden wordt vereist. Het is in elk geval slechts gedurende ten hoogste zes dagen van kracht. De verdachte en zijn raadsman worden in kennis gesteld van het bevel. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing.

  3. De officier van justitie dient direct een vordering tot handhaving van het bevel bij de rechtbank in. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk na de raadsman te hebben gehoord, althans daartoe te hebben opgeroepen. De rechtbank kan bij haar beslissing het bevel handhaven, opheffen, wijzigen of aanvullen.

  4. Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, die op grond van dit artikel zijn bevolen, eindigen zodra de procesinleiding is ingediend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.