1. De aangewezen raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere raadsman laten plaatsvinden.

  2. Bij verhindering of afwezigheid van de aangewezen raadsman treft deze een voorziening voor zijn waarneming. Indien blijkt dat dit niet is gebeurd, wordt zo nodig voor de verdachte direct een andere raadsman aangewezen.

  3. Blijkt van de verhindering of afwezigheid van de aangewezen raadsman pas op de terechtzitting, dan geeft de voorzitter van het gerecht opdracht tot aanwijzing van een andere raadsman.

  4. Op verzoek van de aangewezen raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden aangewezen.

  5. Aanwijzing van een andere raadsman vindt plaats door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand die de te vervangen raadsman heeft aangewezen. Ingeval de raadsman is aangewezen in opdracht van een rechter, stelt de raad de rechter van de vervanging in kennis.