1. Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst op verzoek van de verdachte voor hem een raadsman aan, indien de verdachte anders dan op grond van de tegen hem bestaande verdenking rechtens zijn vrijheid is ontnomen en een procesinleiding is ingediend, tenzij hij door de duur van zijn vrijheidsbeneming niet in zijn verdediging kan worden geschaad.

  2. Indien de voorzitter van het gerecht van oordeel is dat aan een verdachte die zich in vrijheid bevindt en die geen raadsman heeft, in het belang van zijn verdediging rechtsbijstand moet worden verleend nadat de procesinleiding is ingediend, geeft hij opdracht aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om een raadsman aan te wijzen.