1. Met de opsporing van strafbare feiten zijn als buitengewoon opsporingsambtenaar belast:

    1. de personen aan wie door Onze Minister of door het College van procureurs-generaal een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend;

    2. de meerderjarige personen, behorend tot door Onze Minister aangewezen categorieën of eenheden;

    3. de personen die bij of krachtens bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten zijn belast, met uitzondering van de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, of die bij of krachtens verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd.

  2. De opsporingsbevoegdheid van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde buitengewoon opsporingsambtenaren strekt zich uit tot de feiten die behoren tot een bij regeling van Onze Minister vastgesteld en in de akte, onderscheidenlijk aanwijzing genoemd domein. Een domein kan alle strafbare feiten omvatten.

  3. Onze Minister kan bepalen dat voor door hem aan te wijzen categorieën of eenheden van de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde buitengewoon opsporingsambtenaren, de opsporingsbevoegdheid zich mede uitstrekt over andere strafbare feiten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verlening van de akte en het doen van de aanwijzing, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewoon opsporingsambtenaren, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gesteld over de eisen van bekwaamheid en integriteit waaraan zij moeten voldoen.

  5. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, of derde lid, wordt kennis gegeven door plaatsing in de Staatscourant.