1. De raadkamer onderzoekt de zaak op de zitting op de wijze die zij nodig oordeelt.

  2. De raadkamer kan, indien zij het wenselijk acht dat de verdachte of de veroordeelde bij het onderzoek op de zitting aanwezig is, bevelen dat de verdachte of de veroordeelde in persoon zal verschijnen; zij kan daartoe een bevel tot medebrenging geven.

  3. De voorzitter deelt de verdachte mee dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal vermeld.

  4. De raadkamer kan een getuige of deskundige oproepen voor verhoor. De artikelen 4.2.19, vierde lid, 4.2.37, 4.2.40, 4.2.41 en 4.2.44 zijn van overeenkomstige toepassing.