1. In afwijking van artikel 1.11.3 kan slechts met instemming van de verdachte gebruik worden gemaakt van videoconferentie:

    1. voor zijn verhoor bij de behandeling van de vordering tot bewaring door de rechter-commissaris;

    2. voor zijn berechting.

  2. Indien de te horen, verhoren of te ondervragen persoon een auditieve of visuele handicap heeft, wordt geen gebruik gemaakt van videoconferentie indien redelijkerwijs kan worden verondersteld dat dit afbreuk doet aan zijn inbreng of positie in het strafproces, dan wel aan de rechten van andere procesdeelnemers.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rechter beslissen dat van videoconferentie gebruik wordt gemaakt indien dat dringend noodzakelijk is in het bijzondere belang van de beveiliging van het verhoor of de zitting of van het vervoer naar of van de zitting.

  4. Indien de verdachte zich bevindt in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de Penitentiaire beginselenwet, wordt gebruik gemaakt van videoconferentie, tenzij de rechter de aanwezigheid van de verdachte in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht.

  5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing indien de verdachte zich bevindt in een afdeling voor intensief toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Penitentiaire beginselenwet en bij het vervoer van de verdachte sprake is van een hoog veiligheidsrisico.