1. Het horen, verhoren of ondervragen van een persoon dan wel het bijwonen van een verhoor of zitting kan plaatsvinden per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt tussen de betrokken personen.

  2. De opsporingsambtenaar die met het horen, verhoren of ondervragen van een persoon is belast, kan beslissen dat bij het verhoor of de ondervraging van videoconferentie gebruik wordt gemaakt. Daarbij neemt hij een verzoek daartoe van de betrokken persoon en het belang van het onderzoek in aanmerking. Alvorens te beslissen, stelt hij de te horen, verhoren of te ondervragen persoon in de gelegenheid zijn mening over de toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.

  3. De rechter die met het horen, verhoren of ondervragen of met het onderzoek op de zitting is belast, kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de te horen, verhoren of te ondervragen persoon beslissen dat van videoconferentie gebruik wordt gemaakt. Hij neemt daarbij het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak in aanmerking. Alvorens te beslissen, stelt hij de te horen, verhoren of te ondervragen persoon, de officier van justitie, de verdachte of de veroordeelde en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen in de gelegenheid hun mening over de toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.