30 mei 2017

Strafkamer

nr. S 16/01944

IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 februari 2016, nummer 22/002510-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Het middel klaagt dat het Hof niet zonder nader onderzoek verstek had mogen verlenen tegen de niet verschenen verdachte.

Het middel berust op de opvatting dat de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest 24 mei 2016, zaak C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki) heeft gegeven aan de begrippen "persoonlijk [...] gedagvaard" en "anderszins daadwerkelijk officieel in kennis [...] gesteld" in de zin van art. 4bis, eerste lid onder a sub i, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (hierna: het kaderbesluit), mede bepalend is voor de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep in de onderhavige strafzaak.

Die opvatting is onjuist. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest uitleg gegeven aan een tweetal autonome begrippen van het Unierecht zoals vervat in het kaderbesluit. Het kaderbesluit, dat ziet op het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, heeft niet betrekking op de berechting van een strafzaak en derhalve ook niet op de betekening van dagvaardingen in strafzaken.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep, nu het Hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van art. 416, tweede lid, Sv.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

(...)

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, die mededeelt niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

Het gerechtshof constateert met de advocaat-generaal dat de dagvaarding goed is betekend en verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep."

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen:

"De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

Art. 416, tweede lid, Sv luidt:

"Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

De nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep), Stb. 2006, 470, waarbij onder meer art. 416 Sv werd gewijzigd, houdt met betrekking tot art. 416, tweede lid, Sv, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat van de verdachte die in hoger beroep gaat, in redelijkheid kan worden gevergd te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: «weerwoord» te voeren. Zij vragen welke gevolgen kunnen worden verbonden aan de handelwijze van een verdachte die aan deze verwachting niet voldoet. Het belangrijkste gevolg is de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voorgestelde artikel 416, tweede lid, bepaalt immers dat indien de appellerende verdachte geen schriftuur met grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieronder valt ook het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt."

(Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 6, p. 9)

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat

art. 416, tweede lid, Sv niet van toepassing is in het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt. Die opvatting is mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis onjuist.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2017.