29 september 2017

Nr. 16/04888

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van De erven van [A] te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2016, nr. BRE 16/648, betreffende de ten aanzien van belanghebbenden geheven leges.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. G.J.M.E. de Bont, advocaat te Amsterdam.

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.