7 april 2015
Strafkamer
nr. S 13/01871
LBS/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 9 april 2013, nummer 19/063472-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de opgelegde straf en in zoverre tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is, nu de Politierechter de verdachte ten onrechte niet het laatste woord heeft gegeven.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2013 houdt in hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 is weergegeven.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van art. 311 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.
Het middel slaagt.
Het middel klaagt dat de Politierechter de afwijzing van het verzoek om verbalisanten als getuigen te horen ontoereikend heeft gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 19 oktober 2011, in het perceel [a-straat] te [plaats], in de gemeente Aa en Hunze, toestellen of geluidsapparaten in werking heeft gehad dat voor omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder werd veroorzaakt, immers heeft hij verdachte, toen aldaar in dat perceel een jukebox met bijbehorende randapparatuur (te weten 4 staande luidsprekerboxen en/of een subwoover en/of een centrumspeaker) op zodanige wijze in werking gehad dat vanuit dat perceel luide muziek ten gehore werd gebracht, waardoor voor omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder werd veroorzaakt."
De Politierechter heeft het in het middel bedoelde verzoek als volgt samengevat en afgewezen:
"De raadsman heeft schriftelijk, en op de zitting mondeling verzocht om aanhouding van het onderzoek, zodat de in de brief genoemde verbalisanten door de rechter-commissaris kunnen worden gehoord. De raadsman wenst de verbalisanten nader te doen ondervragen omtrent de wijze van verkrijging van de last tot binnentreden, ten aanzien van de waarneming van de geluidsoverlast en ten aanzien van de wijze van inbeslagneming. De officier van justitie acht nader onderzoek door de rechter-commissaris niet noodzakelijk, daar hij reeds van mening is dat het binnentreden onrechtmatig was, net als de doorzoeking. De tijdens dit onderzoek aangetroffen hennep is daardoor onrechtmatig verkregen, zodat het moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken. Ook met betrekking tot feit 2 is de officier van mening dat verwijzing niet noodzakelijk is. Hoewel de raadsman wat betreft feit 1 dezelfde mening is toegedaan, blijft hij bij zijn verzoek om aanhouding met betrekking tot feit 2.
De politierechter weegt het belang van strafvordering, bestaande in een zo voortvarend mogelijke afdoening van de strafzaak (hetgeen hier mede klemt in verband met de relatieve ouderdom daarvan) af tegen het verdedigingsbelang bij het horen van de getuigen. Gelet op voormeld bedoeld tijdsverloop en de relatief geringe ernst van de overtreding waarvan verdenking bestaat, dient het belang van strafvordering zwaarder te wegen dan het verdedigingsbelang. De politierechter wijst het verzoek derhalve af."
Het oordeel van de Politierechter dat het verdedigingsbelang moet wijken voor het belang van de strafvordering is niet zonder meer begrijpelijk. De enkele verwijzingen naar het belang bij een zo voortvarend mogelijke afdoening van de strafzaak en de relatief geringe ernst van de overtreding zijn daartoe onvoldoende. Het middel is terecht voorgesteld.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2015.