24 april 2015

Eerste Kamer

14/05097

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],wonende te [woonplaats], België,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J. van Weerden,

thans mr. S. Kousedghi,

t e g e n

[verweerster],gevestigd te [plaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. A. Knigge en

mr. P.A. Fruytier.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster].

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/01/279490/FT RK 14/886 van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2014;

b. de beschikking in de zaak HV 200.153.629/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 oktober 2014.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 13 maart 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het broep

Voor het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.4.

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het faillissementsverzoek van [verweerster] kennis te nemen. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd op de grond dat de Nederlandse rechter bevoegd is van dat faillissementsverzoek kennis te nemen en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank teneinde op de hoofdzaak te beslissen.

De uitspraak van het hof is een tussenuitspraak, nu het hof hiermee niet reeds door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding heeft gemaakt. Volgens het hier toepasselijke art. 426 lid 4 Rv in verbinding met art. 401a Rv kan derhalve beroep in cassatie van deze uitspraak slechts tegelijk met het beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld, aangezien het hof niet anders heeft bepaald en de overige in art. 401a Rv vermelde uitzonderingen zich in het onderhavige geval evenmin voordoen. Dit brengt mee dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn cassatieberoep.

De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 april 2015.