18 februari 2014

Strafkamer

nr. 12/02511

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 april 2012, nummer 23/005051-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Het middel klaagt dat de nadere bewijsoverweging in de aanvulling op het verkorte arrest die het Hof heeft opgenomen ter vervanging van een bewijsoverweging in het verkorte arrest, in strijd is met art. 365a Sv.

Voor de weergave van de bewijsoverweging in het verkorte arrest en de nadere bewijsoverweging in de aanvulling op het verkorte arrest wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder (het eerste) 3.4 en 3.6.

Naar aanleiding van het middel rijst de vraag of een klacht in cassatie die ertoe strekt dat de enkele omstandigheid dat een bewijsoverweging in het verkorte arrest is vervangen door een geheel nieuwe bewijsoverweging in de aanvulling, ook indien zou moeten worden geoordeeld dat die klacht op zichzelf gegrond is, tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Bij vernietiging op deze enkele grond heeft de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang.

(Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075). Hij kan immers de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof met betrekking tot - in het onderhavige geval - de bewezenverklaring onder 1 van 'medeplegen' in volle omvang aan de Hoge Raad voorleggen, zoals dat in het tweede middel is gedaan. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 51 maanden.

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 48 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.