10 december 2010

Eerste Kamer

09/02324

RM/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,

t e g e n

DEUTSCHE PARACELSUS SCHULEN FÜR NATURHEILVERFAHREN GMBH,

gevestigd te München, Duitsland,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.H. van Gelderen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en DPS.

1. Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. zijn arrest tussen partijen in de zaak C03/071HR, LJN AO9495, NJ 2004/621, van 9 juli 2004,

b. het arrest in de zaak 106.003.854 (rolnummer 1987/05) van het gerechtshof te Amsterdam van 27 januari 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

DPS heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Naar aanleiding van de klacht van het middel onder 27 verdient het volgende opmerking. Weliswaar was het hof gehouden tot ambtshalve onderzoek naar de vraag of het stuk dat het geding inleidt niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan [verzoeker] is betekend, als bedoeld in art. 27, aanhef en onder 2, EEX. Echter, deze verplichting bracht niet mee dat in de onderhavige, op de voet van art. 36 EEX gevoerde verzetprocedure waarin beide partijen zijn verschenen, het hof zijn beslissing niet zou hebben mogen baseren op feiten of omstandigheden die naar zijn oordeel als vaststaand konden worden aangenomen omdat zij niet bestreden waren. Het hof was immers volgens de slotzin van art. 149 lid 1 Rv., waarop de klacht zich beroept, met betrekking tot de onderhavige vraag die, zoals de klacht terecht tot uitgangspunt neemt, betrekking heeft op rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan, wel bevoegd maar niet verplicht van dergelijke feiten nader bewijs te verlangen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het daartoe geen aanleiding gevonden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van DPS begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 december 2010.