21 december 2010

Strafkamer

Nr. 08/02103

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 februari 2001, nummer 20/000193-97, ingediend door:

[De veroordeelde], volgens eigen opgave geboren op [geboortedatum] 1950, geboorteplaats onbekend, gedoopt te [geboorteplaats], ten tijde van het indienen van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Torentijd" te Middelburg.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 24 oktober 1996 - de aanvrager ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

3.1. De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening ongegrond zal achten en deze zal afwijzen.

3.2. Mr. M.F.J.J.M. Tijssen, advocaat te Roermond, heeft gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal met een geschrift van 167 bladzijden.

3.3. Ten aanzien van deze reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal verdient het volgende opmerking. De wettelijke regeling van het buitengewone rechtsmiddel van herziening gaat er vanuit dat op basis van hetgeen in de aanvrage op grond van de bijgevoegde bewijsmiddelen is gesteld, wordt beoordeeld of de herzieningsaanvrage ontvankelijk en gegrond is. Daarmee verdraagt zich in beginsel niet dat hangende de beoordeling van de aanvrage wordt verzocht om nieuwe onderzoeken met de kennelijke bedoeling om de resultaten daarvan alsnog aan de aanvrage toe te voegen en evenmin dat alvorens op de aanvrage is beslist aanvullende verzoeken tot herziening in behandeling worden genomen (vgl. HR 5 juni 2007, LJN BA1024, NJ 2007/341). Een en ander houdt ook verband met de omstandigheid dat het buitengewone rechtsmiddel van herziening meerdere malen kan worden aangewend.

In het verlengde hiervan alsmede in verband met eisen van een goede procesorde heeft te gelden dat de reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal niet meer mag inhouden dan een - in beginsel - beknopte reactie op de inhoud van de conclusie en dat deze reactie zich niet ervoor leent de herzieningsaanvrage zelf nader toe te lichten of aan te vullen.

De onderhavige reactie voldoet niet aan het bovenstaande zodat de Hoge Raad op deze reactie geen acht zal slaan.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. In de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht is ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 13 juli 1995 tot en met 17 juli 1995 te [plaats A], opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg in en nabij een slaapkamer van een woning, gelegen aan de [a-straat 1], in welke woning die [slachtoffer] zich bevond,

- open vuur in aanraking gebracht met zich in die woning bevindende brandbare stoffen en vervolgens

- nadat voormelde brandbare stoffen vlam hadden gevat voormelde woning verlaten, tengevolge waarvan in voormelde kamer een zodanige rookgasontwikkeling is ontstaan dat voornoemde [slachtoffer] aan rookgasvergiftiging is overleden."

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik ben op 15 juli 1995 's-middags in de woning te [plaats A] geweest. Het was de bedoeling dat mijn echtgenote en ik in het weekeind van 15 en 16 juli 1995, in elk geval op zaterdag 15 juli 1995, naar Amsterdam zouden gaan.

U houdt mij voor dat wij in de nacht van vrijdag 14 juli 1995 op zaterdag 15 juli 1995 in het Sheratonhotel te Zaventem hebben verbleven en dat mijn echtgenote op zaterdag rond het middaguur alleen naar Amsterdam is gegaan. U vraagt mij waarom ik niet ben meegegaan.

Ik was aanvankelijk van plan om die dag naar Frankfurt te gaan, omdat ik daar naar CD-roms wilde kijken, maar het werd te laat.

Omdat het te laat was om nog naar Frankfurt te gaan, ben ik in plaats daarvan mijn kinderen gaan bezoeken.

Op de vraag of mijn echtgenote wist dat ik niet naar Frankfurt ging, antwoord ik dat ik denk dat zij nog steeds dacht dat ik naar Frankfurt zou gaan, maar ik heb er niet specifiek met haar over gesproken.

Wij zijn op zondag 16 juli 1995 vanuit Amsterdam met twee auto's teruggereden.

Het kan kloppen dat wij, mijn echtgenote en ik, omstreeks 23.00 uur in [plaats A] aankwamen.

Ik denk dat ik vervolgens drie uren ben gebleven.

Toen we bij het huis aankwamen, waren alle beveiligingslampen aan.

We dachten dat dit wellicht vervelend zou zijn voor de buren. Ik wilde er iets aan doen, maar toen ik ernaar had gekeken, durfde ik er uiteindelijk toch niets aan te doen. Ik durfde niets aan te raken. U vraagt mij hoe ik naar de installatie heb gekeken. Ik heb de auto achteruit gereden, zodat ik op de kofferbak kon gaan staan en de sensor kon bekijken. Ik heb de auto dus niet op de gebruikelijke plaats geparkeerd, maar onder de lamp en de sensor.

Nadat ik had besloten om de sensor niet aan te raken, heb ik de auto laten staan waar deze stond.

Op de vraag van de voorzitter of het kan zijn dat ik om 02.15 uur, in elk geval na 02.10 uur, de woning te [plaats A] heb verlaten, antwoord ik dat ik het precieze tijdstip niet meer weet. Ik denk dat het rond 02.00 uur is geweest. U houdt mij de verklaring voor van de getuige [getuige 4] die heeft verklaard dat om 02.10 uur de auto nog stond op het paadje waar ik naar de sensor had gekeken en u vraagt mij of dat zou kunnen kloppen.

Ja, ik denk dat om 02.10 uur het licht aanging, omdat ik vertrok en zij daarom de auto heeft kunnen zien. Ik heb de woning via de patiodeur verlaten."

2. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Op maandag 17 juli 1995, omstreeks 02.40 uur, kregen wij van het [A] van de regio politie Brabant Zuid-Oost de melding om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats A] in verband met een inbraakalarm.

Op die dag omstreeks 02.46 uur kwamen wij ter plaatse bij perceel [a-straat 1] te [plaats A]. Wij zagen dat het perceel voornoemd een praktijkruimte was, die naar later bleek deel uitmaakte van een woonhuis. Wij zagen dat voor deze praktijkruimte een personenauto stond geparkeerd.

Ik, [getuige 8], zag dat de personenauto, merk Jaguar was voorzien van een Engels kenteken. Ik, [getuige 8], ben toen uitgestapt en heb de garagedeuren, de toegangsdeur van de praktijkruimte en de ramen van de praktijkruimte gecontroleerd op braaksporen. Vervolgens ben ik rechts om de woning gelopen in de richting van de [b-straat]. Ik heb de woning gecontroleerd tot ongeveer halverwege de zijgevel, tot aan de bosschages. Ik heb hierbij geen bijzonderheden aangetroffen. Alle ramen en deuren waren afgesloten. Nadat ik, [getuige 8], de buitenzijde van de praktijkruimte en de rechterzijde van het woonhuis had gecontroleerd, zag ik, dat een mij onbekende man naar mij kwam toegelopen. Ik zag dat die man kwam gelopen vanuit de [b-straat] en in de richting van de voorzijde van het pand 3a kwam gelopen. Ik bevond mij toen op de hoek van de voorgevel met de rechterzijgevel. Deze man deelde mij mede dat hij de sleuteldrager was van het pand op de [a-straat 1] in [plaats A]. Hij vertelde mij dat hij de sleutel had van het pand en dat zijn vrouw de afmeldcode kende. Ik zag dat achter die man een vrouw kwam aanlopen en dat de man naar die vrouw wees. De man deelde mij mede dat hij hier vlakbij woonde.

De man vroeg mij of er iets te zien was en of hij naar binnen kon gaan.

Ik deelde hem mede dat er geen braaksporen waren aangetroffen en dat hij naar binnen kon gaan. In de naaste omgeving hebben wij, verbalisanten geen andere personen zien lopen of rijdende voertuigen gezien.

Wij zijn omstreeks 3 à 4 minuten ter plaatse geweest en omstreeks 02.50 uur die dag weer vertrokken."

3. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een of meer van hen:

"Op 17 juli 1995, omstreeks 03.47 uur, kregen wij het bericht te gaan naar het adres [a-straat 1] te [plaats A], alwaar een brand in een leegstaande woning zou zijn. Wij reden toen in de omgeving van de Markt in [plaats B]. Onderweg naar het opgegeven adres, passeerden wij een brandweervoertuig.

Wij zijn hierop onmiddellijk ter plaatse gegaan. Omstreeks 03.49 uur, arriveerden wij ter plaatse. Wij zagen dat rook onder de kap van het dak van de woning uitsloeg. Wij zagen over de gehele breedte van het dak rook. Wij roken brandlucht. Wij zagen dat aan de voorgevel van een schoonheidssalon, welke aan het pand grenst, een flitslamp brandde. Kennelijk was het een flitslamp van een alarminstallatie. Voor het pand zagen wij een personenauto staan, merk Jaguar, met het engelse kenteken [AA-00-BB]. Wij vernamen van twee omstanders die voor het pand aanwezig waren, dat de nieuwe bewoners van het huis de bezitters waren van voornoemde auto.

Ik, verbalisant [verbalisant 2], liep vanaf de voordeur tegen de klokrichting in naar de andere zijde van het pand, teneinde een deur of poort te zoeken, waardoor het pand betreden zou kunnen worden. Ik, verbalisant, [verbalisant 2], kon geen deur, dan wel poort tot de achterplaats vinden. Aan die zijde van het pand waren geen personen of voertuigen aanwezig.

Op 17 juli 1995, omstreeks 03.51 uur, arriveerde de gemeentelijke brandweer. Ik, [verbalisant 2], gaf aan de brandweer door dat er mogelijk personen in het pand aanwezig waren. Door de brandweer werd direct de glasruit naast de toegangsdeur aan de voorzijde van het pand geforceerd en werd het pand door de brandweer betreden met persluchtapparatuur.

Enkele minuten later, omstreeks 03.55 uur, werd het lichaam van de later te noemen in leven genaamd zijnde vrouw [slachtoffer], door personeel van de brandweer via de toegangsdeur aan de voorzijde van de schoonheidssalon naar buiten gedragen. Ik, verbalisant, [verbalisant 2], zag dat haar voorhoofd, met name haar mond en neus zwart waren.

Omstreeks 04.02 uur werd door de brandweercommandant het sein "brand meester" gegeven.

Ter assistentie gekomen ambulancecollegae van de GG en GD te Eindhoven, die omstreeks 04.20 uur arriveerden, hebben de vrouw verder onderzocht. Volgens alle betrokken hulpverleners was verder reanimeren niet hoopvol, waarna ik, verbalisant [verbalisant 2], een arts heb laten waarschuwen.

Op 17 juli 1995 te 04.37 uur werd door arts [de arts] te [plaats B] de dood van de vrouw geconstateerd.

Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb het stoffelijk overschot van de vrouw op 17 juli 1995 te 04.37 uur voor het bedoelde pand ten behoeve van het onderzoek in beslag genomen.

Op 17 juli 1995 te 04.38 uur, gaf [verbalisant 4], hoofdinspecteur van regiopolitie Brabant Zuid Oost, hulpofficier van justitie, toestemming het lichaam over te brengen naar het St. Josephziekenhuis te Veldhoven. Omstreeks 05.00 uur hebben wij, verbalisanten, samen met het personeel van de Technische Recherche van de genoemde politieregio het bedoelde pand doorzocht. De door ons met de technische recherche aangetroffen situatie is door hen vastgelegd en verwoord in het door de collegae opgemaakt proces-verbaal.

Tijdens het onderzoek overhandigde het technische recherche personeel mij, verbalisant [verbalisant 2], bescheiden die door hen waren aangetroffen in een tas die zich in een koffer bevond welke zich op de slaapkamer aan de zijde van de [b-straat] lag. Uit de bescheiden bleek dat het slachtoffer in leven genaamd was: [slachtoffer], Britse nationaliteit, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende [c-straat 1] te [woonplaats]."

4. een akte van overlijden betreffende [slachtoffer], voor zover inhoudende:

"Overledene: [slachtoffer]

Plaats van geboorte: [geboorteplaats]

Dag van geboorte: [geboortedatum] 1963

Dag van overlijden: 17 juli 1995

Plaats van overlijden: [plaats B]."

5. een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium, opgemaakt door dr. R. Visser, arts en patholoog, voor zover inhoudende:

"Op 18 juli 1995 heb ik ingevolge mondelinge opdracht van de Officier van Justitie te 's-Hertogenbosch, als beëdigd deskundige, in het St. Joseph Ziekenhuis te Veldhoven, de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van: [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, gewoond hebbende te [plaats A] en dood aangetroffen te [plaats A] op 17 juli 1995 te omstreeks 04.15 uur, ten einde na te gaan de oorzaak van haar dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Het lijk van [slachtoffer] voornoemd, werd mij deskundige aangewezen en daarna overhandigd door [verbalisant 3], hoofdagent-rechercheur van de regiopolitie Brabant Zuid Oost en na gedane schouwing aan genoemde [verbalisant 3] teruggegeven.

Uitwendige schouwing:

1. De huidskleur was bleek en de huid was over grotere oppervlakken met roetachtig (donkergekleurd) materiaal bedekt, met name aan de rechterzijde van de hals, armen benen en de rugzijde.

Er waren uitgebreide ontvellingen met donkerrode verkleuring van de ondergelegen huid van het gelaat, bovenzijde schouders, rugzijde, beide armen en beide bovenbenen.

2. Het bindvlies van de oogleden was licht dooraderd en er werd enig roetachtig materiaal aangetroffen.

In de neus werd enig zwartgekleurd roetachtig materiaal aangetroffen.

3. De armen en benen bevatten uitgebreide donkerrode verkleuringen en ontvellingen en perkamentachtige veranderingen.

4. Letsels: er waren meerdere oppervlakkige huidbeschadigingen en huidloslating met donkerrode verkleuring van de huid ter plaatse aan het voorhoofd, neusrug, wangen, bovenlip, bovenzijde beide schouders, armen, bovenbenen, en aan de rugzijde. Er waren donkerrode verkleuringen (huidkneuzingen) onder de linker knieschijf en aan de rechts zijwaartse zijde van de rechter knieschijf (driemaal, diameter variërend van 7 mm. tot 18 mm.)

7. De luchtpijp bevatte tamelijk veel zwart korrelig materiaal (roet?). De slijmvliezen waren deels met zwart korrelig materiaal bedekt.

De tong was uitwendig en op doorsnede zonder afwijkingen en het oppervlak was ten dele met zwart korrelig materiaal (roet?) bedekt.

14. Schedelhuid: er werden twee helderrode bloeduitstortingen gezien aan de bovenzijde van het hoofd.

Samenvatting:

Bij het onderzoek op het lijk van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1963, is het navolgende gebleken:

A. Lijk van een jonge vrouw met roetachtig materiaal op grotere oppervlakken van het lichaam en op meerdere plaatsen huidloslating (passend bij tweede graadsverbranding): gelaat, schouders, rug, armen en bovenbenen (1, 2, 3)

B. Opvallend rode organen (verenigbaar met koolmonoxidevergiftiging) zie ook sub H

C. Veel roetachtig materiaal op de slijmvliezen van de tong, luchtwegen en in de maag (7, 8, 11)

D. Twee recente bloeduitstortingen aan de bovenzijde van het hoofd (14)

H. In het bloed werd alcohol aangetoond in concentraties die passen bij recreatief alcoholgebruik. Tevens werd er in het bloed een percentage carboxyhemoglobine aangetoond (aan koolmonoxyde gebonden hemoglobine) passend bij de inademing van een dodelijke hoeveelheid koolmonoxyde.

Volgens verkregen informatie zou het slachtoffer, na een brandmelding door de brandweer, levenloos zijn aangetroffen in de slaapkamer. Er zou sterke rookontwikkeling zijn geweest. Bij sectie was een groot deel van het lichaamsoppervlak geblakerd c.q. oppervlakkig verbrand (sub A). De organen waren opvallend rood van kleur, hetgeen verenigbaar is met koolmonoxyde-vergiftiging. Deze bevinding werd bevestigd middels laboratoriumonderzoek (sub H). De sub C. genoemde aanwezigheid van roet in de slijmvliezen van de luchtwegen wijzen erop dat het slachtoffer ten tijde van de brand heeft geademd.

Er werden (sub D) twee bloeduitstortingen aan de bovenzijde van het hoofd aangetroffen. Deze bevindingen werden opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld aan het hoofd, zoals ontstaan kan zijn door slaan, stoten en/of vallen.

Het intreden van de dood kan zonder meer worden verklaard door de bij de sectie gebleken rookgasvergiftiging.

Een andere mechanisch dan wel ziekelijk bepaalde orgaanafwijking, die ten aanzien van het intreden van de dood van betekenis geweest zou kunnen zijn, is bij sectie niet gebleken.

Conclusie

Bij [slachtoffer], oud 32 jaar, was het intreden van de dood veroorzaakt door bij sectie en laboratoriumonderzoek gebleken rookgasvergiftiging."

6. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Door ons verbalisanten werd op woensdag 19 juli 1995, omstreeks 11.00 uur, in het Sint Josephziekenhuis te Veldhoven het levenloze lichaam getoond van de in leven genaamd zijnde:

[slachtoffer]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

gewoond hebbende te [plaats A], [a-straat 1],

aan de vader en de broer van de overledene.

De broer is volledig genaamd:

[Betrokkene 5],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966

wonende te [d-straat 1], [woonplaats].

De vader is volledig genaamd:

[Betrokkene 6],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1936,

wonende te [woonplaats].

Wij konden ons goed begrijpelijk verstaanbaar maken met genoemde broer en vader van het slachtoffer in de Engelse taal. Beiden verklaarden ten overstaan van ons dat het getoonde lichaam door hen herkend werd als dat van bovengenoemde dochter en zus, in leven genaamd [slachtoffer]."

7. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 17 juli 1995 werd, ieder voor zover zijn bevindingen betreft, door ons, een technisch onderzoek naar sporen ingesteld. De bewoonster kwam bij deze brand om het leven.

Het slachtoffer was genaamd: [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

Op 17 juli 1995 omstreeks 02.38 uur kwam vanuit perceel [a-straat 1] te [plaats A], bij de alarmcentrale een automatische sabotagemelding van zone 6 binnen. Zone 6 betreft de sensor in de ouderslaapkamer op de eerste verdieping. De sensor was voorzien van een sabotagelus en gaf bij een onderbreking (sabotage) automatisch een melding naar de centrale te Geldrop. Deze sabotagemelding werkt zowel bij een in- of uitgeschakelde installatie. De sabotagemelding werd door de alarmcentrale Geldrop direct doorgegeven aan de regionale meldkamer van de politie te Eindhoven, die daarop de nodige maatregelen trof.

Op 17 juli 1995 omstreeks 03.41 uur werd door een getuige gemeld dat er rook onder het dak uit kwam van het genoemde perceel.

Door personeel van de brandweer werd het slachtoffer op de vloer van de garderobekamer aangetroffen.

Perceel [a-straat 1] te [plaats A] betreft een woning met aangebouwd bedrijfspand. Bij het door ons ter plaatse ingestelde onderzoek zagen wij dat de brandweer de woning reeds had betreden in verband met blus- en reddingswerkzaamheden. Volgens de brandweer en de ter plaatse gearriveerde politie waren, bij hun komst ter plaatse, alle deuren en ramen op de begane grond afgesloten. Door de brandweer werd naast de voordeur een ruit vernield, waardoor zij de toegang tot het pand verkregen. Volgens informatie van de brandweer was de voordeur middels twee kanonsloten afgesloten geweest. Dat de voordeur middels kanonsloten was afgesloten bleek ook na de alarmmelding van 02.38 uur. De gealarmeerde sleutelhouder kon met de sleutel de voordeur niet openen. Door ons werden aan het hang en sluitwerk van ramen en deuren, geen sporen van braak aangetroffen.

Wij zagen dat de brand had gewoed in de ouderslaapkamer. Door zuurstofgebrek is het vuur gedoofd. Wij zagen dat het nog niet verbrande gedeelte van de slaapkamer, de badkamer, en de garderobekamer sterk beroet waren.

Sterke roetvorming ontstaat ook bij onvolledige verbranding, zoals bij zuurstofgebrek.

Aan de hand van inbrandingen c.q. roetvorming in de sluitnaden en op de deuren, zagen wij dat de deur tussen de slaapkamer en de badkamer ten tijde van de brand, open had gestaan en dat de toegangsdeuren vanaf de overloop naar de badkamer en de slaapkamer gesloten waren geweest.

De slaapkamer en de garderobekamer hadden een open verbinding met elkaar. De ramen van de slaapkamer en de badkamer waren eveneens gesloten. De ramen op de garderobekamer konden niet worden geopend. Diverse ruiten waren door de hitte gebarsten en hadden een grof craquelé beeld gekregen.

Bij onderzoek van de deur naar het balkon zagen wij dat de tochtrubbers in de sluitnaden niet door vuur waren aangetast.

De wijze waarop de inbranding c.q. roetvorming bij de sluitnaden en kanonsloten aanwezig waren en het feit dat de kopse kant van de deur en de afdichtrubbers niet door vuur waren aangetast, wees erop dat de balkondeur, tijdens de brand, dicht, doch niet afgesloten was geweest.

Het plafond van de slaapkamer bestond uit een verlaagd houten schrootjesplafond met daarin enkele inbouw verlichtingspots. Wij zagen dat het houten plafond voornamelijk boven het bed gedeeltelijk was ingebrand. Op de overige plaatsen was het plafond sterk beroet. Tegen de wand tussen de slaapkamer en vide/garderobe stonden twee eenpersoonsbedden. Het verhoogde schot bij het hoofdeinde stond tegen de wand. De bedden bestonden uit een houten frame waarin een houten bak was gemonteerd.

Tussen de brandresten van de bedden werden door ons geen resten aangetroffen van een laken, hoofdkussens, deken of dekbed. Wel zagen wij op de vloer ter hoogte van het voeteneind van het linkerbed, het bed dat aan de zijde van het balkon stond, een gedeeltelijk verbrand dekbed liggen.

Tussen dit bouwpakket, hoofdkussen en de scharnierzijde van de openstaande deur zagen wij een blauwe kunststof fles staan met het opschrift "brandspiritus". Het zegel op de afsluitdop van het etiket was tweetalig, Frans en Nederlands.

Op de vloer van de slaapkamer, voor de deuropening naar de badkamer, zagen wij op twee plaatsen de resten liggen van kunststofflessen. Deze kunststofflessen waren beide gesmolten en waren door de hitte vastgehecht aan de vloerbedekking. Eén van de flessen was oorspronkelijk transparant en de andere was lichtgeel. De vorm van de aangetroffen gesmolten resten duidde erop dat de flessen, voor de inwerking van de hitte, recht op de vloer en zonder afsluitdop, moeten hebben gestaan.

In de nabijheid van de gesmolten kunststof flessen zagen wij op de vloer van de slaapkamer, voor de stenen dorpel naar de badkamer, een gedeeltelijk gesmolten, kunststof flessendop liggen. Deze zwartkleurige dop was door de hitte vastgehecht aan de vloerbedekking en was vermoedelijk afkomstig van de lichtgele gesmolten kunststof fles.

Op de vloer naast de linkerzijde van het bed werden door ons resten van een pakje sigaretten en van een aansteker aangetroffen.

Aan de hand van het brandbeeld kon door ons worden vastgesteld dat de brand het hevigst had gewoed bij de tegen elkaar staande bedden en de onmiddellijke omgeving van deze bedden. Wij zagen dat van het linkerbed, op enkele houten delen van het frame na, nagenoeg al het brandbare materiaal verbrand was. De linkerzijde van het linkerbed was verder weggebrand dan de rechterzijde van dit bed. Van het rechterbed was het houten frame nog gedeeltelijk zichtbaar. De linkerzijde van het rechter bed was verder weggebrand dan de rechterzijde.

Het verhoogde schot aan het hoofdeinde was nagenoeg geheel weggebrand. Alleen van de rechterzijkant waren nog resten zichtbaar.

Voor het verkrijgen van een overzicht van het brandbeeld zoals ondermeer op de vloer zichtbaar was, werd door ons op 19 juli 1995, de gehele slaapkamer leeggeruimd. Voordat de kamer werd leeggeruimd werden door ons op diverse plaatsen monsters veiliggesteld en gewaarmerkt. Bij het leegruimen werden door ons brandresten minutieus onderzocht, waarbij nog een metalen veertje van de aansteker werd aangetroffen.

Nadat de slaapkamer was leeggeruimd, zagen wij op de vloerbedekking diverse inbrandingen, schroeiplekken, verkleuringen en vlekken. De inbrandingen en schroeiplekken bevonden zich in het gedeelte van de vloerbedekking dat zich ongeveer uitstrekte vanaf de deuropening bij de badkamer via het bed naar de omgeving van de balkondeur.

De contouren van de twee bedden waren in de overgebleven vloerbedekking goed zichtbaar.

De vloerbedekking tussen de contouren van het linkerbed was nagenoeg geheel verbrand.

Tussen de contouren van het rechterbed was de vloerbedekking alleen bij het hoofdeinde geheel verbrand, terwijl elders tussen de contouren van dit bed, de vloerbedekking was geschroeid. De plint achter het hoofdeinde van het linkerbed was over een afstand van ongeveer de breedte van dit bed ingebrand. Ook de plint achter het rechterbed was over een iets kleinere afstand, ingebrand.

De vloerbedekking naast het midden van het linkerbed was diep ingebrand. op deze plaats werd door ons de aansteker en de resten van het pakje sigaretten aangetroffen.

Verder zagen wij naast het linkerbed een naar schatting circa 40 centimeter brede en halfronde strook van ingebrande en verschroeide vloerbedekking. Deze grillig gevormde strook bevond zich ongeveer vanaf het midden van het linker bed tot aan het midden van het voeteneinde. Rond deze strook zagen wij een strook waarvan de vloerbedekking licht gekleurd was.

De contouren van deze strook hadden een eveneens grillige en min of meer halfronde vorm. Op deze plaats werd door ons het gedeeltelijk verbrande dekbed aangetroffen.

Verder zagen wij tussen de deuropening naar de badkamer en de rechterzijde van het voeteneind van het rechterbed. een verkleurde en lichtgeschroeide cirkelvormige plek in de vloerbedekking. Wij zagen en voelden dat de vloerbedekking in deze plek, vermoedelijk door een vloeistof was aangetast c.q. verteerd. Binnen deze cirkelvormige plek werden door ons de resten van twee eerder genoemde, door de hitte gesmolten kunststof flessen aangetroffen.

De vloerbedekking tussen het rechterbed en de deur naar de overloop was gedeeltelijk ingebrand en geschroeid. Verder zagen wij dat het deurvlak van de deur naar de overloop aan de slaapkamerzijde geheel door vuur was aangetast. De inbrandingen in deze deur waren het diepst aan de deurkrukzijde.

De deurstijl was van metaal en was in de sluitnaad voorzien van rubber stootdopjes. Wij zagen dat deze stootdopjes niet door vuur waren aangetast. De deur was aan de zijde van de overloop aan de bovenzijde en aan de zijkanten beroet. De vorm van deze beroeting duidde erop dat de deur ten tijde van de brand dicht was geweest. Tussen de deur en de stenen dorpel bevond zich een kier van ongeveer 6 mm. Aan de onderzijde van deze deur was over de gehele breedte een verkoold laagje zichtbaar. Dit verkoolde laagje is vermoedelijk veroorzaakt door zuurstofgebrek van het vuur van de slaapkamer naar de overloop. Dit brandbeeld paste bij het brandbeeld op de overloop, direct achter de toegangsdeur naar de ouderslaapkamer.

Vanaf de dorpel waren de houten plinten aan beide zijden van de overloop, over een lengte van circa 60 centimeter ingebrand.

Ook de vloerbedekking op de overloop was direct achter genoemde deur over een lengte van circa 70 centimeter ingebrand.

Achter de deur naar de ouderslaapkamer bevond zich gemeten vanaf de grond, op een hoogte van 105 centimeter een kunststof schakelaar.

Het feit dat deze schakelaar niet door vuur was aangetast duidde erop, dat het vuur van de zuurstoftrek onder de deur laag bij de vloer was gebleven. De deur vanuit de slaapkamer naar de badkamer draaide in de richting van de slaapkamer open.

In geheel openstaande stand bevond de badkamerzijde van deze deur zich het dichtst bij het vuur. Deze zijde was door het vuur egaal geblakerd. terwijl de slaapkamerzijde van deze deur alleen licht beroet was. Het brandbeeld van deze deur gaf aan dat deze, gedurende de brand, open had gestaan.

Boven de linkerzijde van de vensterbank hing tegen de wand aan de zijgevel een gedeeltelijk gesmolten kunststof sensor van het alarm. Deze sensor gaf op 17 juli 1995 te 02.38 uur een sabotagemelding kennelijk het gevolg van de hitte inwerking op het sensor.

Verder zagen wij ongeveer in het midden van de vloer een aantal lichtgekleurde plekken in de met roet bedekte vloerbedekking. De vorm en plaats van deze plekken duidden erop dat dit de ligplaats was van het door de brandweer aangetroffen slachtoffer.

Wij zagen dat de gehele badkamer met een vettige roetaanslag bedekt was Het voeteneind van het bad bevond zich in de nabijheid van de deuropening naar de ouderslaapkamer.

Bij het voeteneind van het ligbad zagen wij in de hoek bij de deuropening naar de slaapkamer en het ligbad vijf rollen toiletpapier en een kunststof fles staan. Op het etiket van deze fles zagen wij het opschrift "brandspiritus" staan. De tekst op het etiket was tweetalig: Frans en Nederlands.

Deze spiritus fles stond in de hoek met daaromheen de toiletrollen. Tegen de fles stonden drie op elkaar gestapelde toiletrollen, met daarnaast op de vloer nog twee rollen. Wij zagen dat de drie op elkaar gestapelde toiletrollen door de hitte waren geblakerd.

Ook de spiritusfles was reeds door de hitte en roetvorming geblakerd. De plaats waar deze toiletrollen en de spiritus fles door ons werden aangetroffen bevond zich in de nabijheid van de eerder omschreven gesmolten kunststof flessen op de vloer bij de deuropening van de slaapkamer en de spiritus fles achter de openstaande badkamerdeur in de slaapkamer.

Op de vloer van de overloop, nabij de wenteltrap, werd door de brandweer een kunststof fles met het opschrift "petroleum" aangetroffen. De betreffende fles werd door ons voor eventueel nader onderzoek veiliggesteld. Wij zagen dat de tekst op het etiket van deze fles tweetalig was: Frans en Nederlands. Voor nader onderzoek werden door ons diverse goederen veiliggesteld, waarvan sommige ad 1 t/m 11, voor onderzoek werden overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. De nummering komt overeen met de nummering zoals deze door ons werd gebruikt op het aanvraagformulier van het Gerechtelijk Laboratorium.

Op 18 juli 1995 werd verzonden:

no. 1 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer nabij de deuropening naar de badkamer. Op dit stuk vloerbedekking waren vermoedelijk resten van een gesmolten kunststof fles aanwezig.

no. 2 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer vlak voor de dorpel naar de badkamer. Op dit stuk vloerbedekking waren de resten aanwezig van een zwartkleurige kunststof afsluitdop zichtbaar.

no 3. een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer nabij de deuropening naar de badkamer. Op dit stuk vloerbedekking waren de resten van een lichtgele, gesmolten, kunststof fles zichtbaar.

no. 4 een stuk vloerbedekking uit de overloop nabij de deur naar de ouderslaapkamer.

Op 25 juli 1995 werd verzonden:

no. 5 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer naast het linkerbed.

Op dit stuk vloerbedekking was de aansteker aangetroffen.

Op 27 juli 1995 werd verzonden:

no. 6 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer bij het voeteneind van het linkerbed.

no. 7 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer in het midden van de plaats waar de twee bedden tegen elkaar stonden.

no. 8 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer onder het hoofdeind van het linkerbed.

no. 9 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer nabij de rechterzijde van het rechterbed

no. 10 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer onder het midden van het rechterbed

no. 11 een stuk vloerbedekking uit de ouderslaapkamer onder het hoofdeind van het rechterbed.

Verzocht werd de monsters te onderzoeken op vluchtige brandversnellende middelen, lijm en/of verfresten. Tevens werd verzocht om de monsters ad 1, 2 en 3 te onderzoeken op de aanwezigheid en de eventuele aard van de gesmolten kunststof flessen.

Ad 12 tot en met 14 werden door ons, voor het tactisch onderzoek, overgedragen aan de plaatselijke politie.

no. 12 een kunststof fles brandspiritus, aangetroffen op de ouderslaapkamer achter de geopende deur naar de badkamer. De verzegeling van de afsluitdop van deze fles was nog niet verbroken.

no. 13 een kunststof fles brandspiritus aangetroffen op de tegelvloer voor het voeteneind van het ligbad op de badkamer. De verzegeling van de afsluitdop van deze fles was nog niet verbroken.

no. 14 een kunststof fles petroleum door de brandweer op de overloop aangetroffen en welke later door ons werd veiliggesteld. De verzegeling van de afsluitdop van deze fles was nog niet verbroken.

Brandproeven

Naast het linkerbed op de vloer werden de resten van een aansteker en een pakje sigaretten aangetroffen. Omdat dit een mogelijke brandoorzaak zou kunnen zijn, werden door ons, op het hoofdbureau van politie te Eindhoven, een aantal proeven genomen om de brandbaarheid te testen van een aantal materialen, zoals:

- resten van de textielbekleding waarmee de ombouw van het bed was bekleed.

- resten textiel afkomstig van de buitenzijde van het matras.

- resten van het dekbed.

- een stuk vloerbedekking uit de slaapkamer.

Getracht werd om met een brandende sigaret de genoemde goederen in brand te steken. Deze proef werd verschillende keren herhaald, waarbij de sigaret telkens geheel opbrandde zonder dat de stof vlam vatte.

De materialen vertoonden alleen schroeiplekken ter grootte van een sigaret.

Deze proef met de sigaretten werd door ons herhaald op het stuk vloerbedekking, nadat dit met terpentine was behandeld. Ook met deze proef lukte het ons niet om de met terpentine behandelde vloerbedekking in brand te steken. Met open vuur van een brandend stuk papier lukte het om de met terpentine behandelde vloerbedekking in brand te steken.

De brand op het stuk vloerbedekking waar de terpentine zich bevond, verliep langzaam en ging gepaard met zwarte rookontwikkeling. Ondanks voldoende zuurstoftoevoer doofde het vuur toen de terpentine geheel was opgebrand. Het gedeelte waar geen terpentine aanwezig was doofde eveneens. Opmerkelijk bij deze laatste proef met de vloerbedekking en terpentine, was het feit dat van de vloerbedekking ter plaatse alleen de polen waren weggebrand en dat de jute rugzijde in takt bleef.

Conclusie:

Gelet op de bevindingen van ons technisch onderzoek en de resultaten van het onderzoek van het gerechtelijk laboratorium waaruit bleek dat:

- alle buitendeuren en ramen gesloten waren

- de deur van de ouderslaapkamer naar de overloop gesloten was

- de brand alleen had gewoed in de ouderslaapkamer

- er tijdens de brand een sterke roetvorming was geweest

- de deur tussen de ouderslaapkamer en de badkamer geheel open stond

- een elektrische of mechanische oorzaak kan worden uitgesloten

- op de vloer van de slaapkamer in de loop bij de deuropening naar de badkamer resten van vermoedelijk twee kunststof flessen en een afsluitdop werden aangetroffen

- achter de openstaande deur naar de badkamer, bij de scharnierzijde, een kunststof fles spiritus was aangetroffen

- op de vloer van de badkamer bij de deuropening naar de slaapkamer, een kunststof fles spiritus was aangetroffen

- deze spiritus fles tussen rollen toiletpapier stond

- zich in de vloerbedekking voor de deuropening naar de badkamer een kringvormige plek bevond

- op deze plek een relatief grote hoeveelheid terpentine werd aangetoond

- op de vloerbedekking in totaal op acht plaatsen in de slaapkamer, terpentine werd aangetoond

- door de brandweer op de overloop een fles petroleum was aangetroffen

- de brand door gebrek aan zuurstof was gedoofd

- in de longen van het slachtoffer een dodelijke hoeveelheid koolmonoxyde werd aangetoond

- het ons aan de hand van proeven onmogelijk bleek om met een sigaret brand te veroorzaken

wordt door ons gesteld dat de brand in de slaapkamer opzettelijk is gesticht door het inbrengen dan wel achterlaten van open vuur. Bij de brandstichting werd gebruik gemaakt van terpentine."

8. een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium, opgemaakt door ing. J.W. van Wilsum, voor zover inhoudende:

"ontvangen materiaal:

Op 18 juli 1995 werden ontvangen van de technische recherche Brabant Zuid-Oost, via [betrokkene 2]:

1. een stuk doordrenkte vloerbedekking, gemerkt I;

2. een stuk doordrenkte vloerbedekking met dop, gemerkt II;

3. een stuk vloerbedekking met plastic resten, gemerkt III;

4. een stuk vloerbedekking uit de gang. Op 25 juli 1995 werd ontvangen van de technische recherche Brabant Zuid-Oost, via [betrokkene 2]:

5. een stuk vloerbedekking;

Op 27 juli 1995 werd ontvangen van de technische recherche Brabant Zuid-Oost:

6. een brandpot met een monster van het voeteneind van het linkerbed, gemerkt 6;

7. een brandpot met een monster genomen midden tussen de twee bedden, gemerkt 7;

8. een brandpot met een monster van het hoofdeinde van het linkerbed, gemerkt 8;

9. een brandpot met een monster van de rand van het rechterbed. gemerkt 10;

10. een brandpot met een monster midden onder het rechterbed, gemerkt 10;

11. een brandzak met een monster van het hoofdeinde van het rechterbed, gemerkt 11.

Vraagstelling:

In de onderzoekaanvraag werd verzocht de monsters te onderzoeken op vluchtige brandversnellende middelen, lijm- en verfresten.

In de monsters ad 1, 2, 3 en 5 is een relatief grote hoeveelheid van een rechtstreeks uit ruwe aardolie gewonnen product, waarschijnlijk terpentine, aangetoond.

In de monsters ad 6 en 9 zijn sporen van een rechtstreeks uit ruwe aardolie gewonnen product, waarschijnlijk terpentine, aangetoond.

Voor de monsters ad 7 en 10 zijn aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van een dergelijk product.

De hoeveelheid van dit product in deze monsters is echter geringer dan in de monsters 6 en 9.

In de monsters ad 2 en 3 is polytheen aangetroffen dat mogelijk van een fles of een jerrycan afkomstig is.

In monster ad 1 is polyester aangetoond dat mogelijk van een PET-fles afkomstig is.

In de monsters 1, 2 en 3 zijn geen verf- of lijmresten aangetoond."

9. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Naar aanleiding van het schrijven van de Rechter Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, kenmerk 01/050088-96 inz. [veroordeelde], betreffende een verzoek ex artikel 177 Wetboek van Strafvordering, d.d. 6 juni 1996, wordt door ons, [verbalisant 1], [betrokkene 4] en [betrokkene 3], respectievelijk medewerker technische ondersteuning, brigadier en inspecteur van de regiopolitie Brabant Zuid Oost, allen behorende tot de technische ondersteuning van de regiopolitie Brabant Zuid Oost, het volgende verklaard:

Punt 1a:

Op pagina 2 van het proces-verbaal van technisch onderzoek staat vermeld dat op 17 juli 1995 omstreeks 02.38 uur vanuit perceel [a-straat 1] te [plaats A] een automatische sabotagemelding van zone 6 was binnengekomen bij de alarmcentrale. Zone 6 betreft de sensor in de ouderslaapkamer. De sensor was beschermd tegen een mogelijke sabotage.

De sensor was daarvoor opgenomen in een sabotagelus en gaf bij een onderbreking (sabotage) automatisch een melding bij de centrale te Geldrop. Deze sabotagemelding werkt zowel bij een in- als uitgeschakelde installatie. Door mij, verbalisant, [verbalisant 1], werd op 17 juli 1995, de door de hitte gedeformeerde sensor met een gedeelte van de gebruikte bedrading voor nader onderzoek veiliggesteld.

Door de installateur, [A], van de alarminstallatie werd mij, op mijn verzoek, voor onderzoek een soortgelijke sensor beschikbaar gesteld, afkomstig uit de hal van de genoemde woning.

Bij dit onderzoek zag ik, verbalisant [verbalisant 1], aan deze sensor dat de sabotagelus in werking trad indien een microschakelaar, welke op een printplaat in het kunststofhuis van de sensor tegen een lipje in de afsluitdeksel rustte, werd verbroken of werd vervormd.

Vervorming die in dit geval van deze sensor is ontstaan door bij de brand in genoemde slaapkamer ontwikkelde hitte en niet met, welke andere kracht dan ook, die op deze kunststof behuizing van de sensor zou kunnen zijn uitgeoefend.

Om na te gaan bij welke temperatuur het kunststof van de sensor ging vervormen, werd door mij, verbalisant [verbalisant 1], de soortgelijke sensor in de oven geplaatst. Hierbij zag ik, dat de sensor bij een temperatuur van circa 150 graden Celsius begon te vervormen."

10. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 14]:

"Ik ben als hoofd technische dienst werkzaam bij [B] BV [e-straat 1] te [plaats C].

Dit bedrijf heeft een alarminstallatie en een schrikverlichting aangelegd in en buiten perceel [a-straat 1] te [plaats A]. In de periode tussen

12 en 17 juli 1995 is de alarminstallatie diverse malen in- en uitgeschakeld door gebruiker 2."

11. een geschrift, houdende twee overzichten van de in- en uitschakeling van de alarminstallatie van het pand [a-straat 1], voor zover inhoudende:

"[B] B.V.

Tav: [betrokkene 7]

[e-straat 1]

5612 HC [plaats C]

Betreft:

[a-straat 1]

[0000 AA] [plaats A]

12. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Toen op maandag 17 juli 1995 de alarmcentrale rond 02:30 uur belde, heb ik bij mijn woning gewacht op de politie. Ik zag toen een politieauto over het fietspad naar de woning van [slachtoffer] rijden. Ik ben daar toen ook naar toe gelopen. Toen ik bij de politieman was, zei ik tegen hem, dat ik de buurman was, dat mijn vrouw een sleutel van de deur had en zij de code van het alarm kende.

Die politieman zei toen dat alles in orde was en dat ze vlug weg moesten naar een andere melding.

Ik ben niet met die politieman langs de woning gegaan om te kijken. Hij is direct weer ingestapt na het gezegde.

Op dat moment kwam mijn vrouw ook aangelopen.

Toen de politieman weg was heb ik eerst gebeld; echt flink gebeld. Daarop kwam geen reactie. Toen hebben we geprobeerd om met de sleutel de voordeur te openen. Dat ging ook niet. Ik ben toen om het huis heengelopen vanaf de voordeur, voor het huis langs en vervolgens via de [b-straat] tot aan de grote toegangspoort van de binnenplaats. Mijn vrouw liep tussen de voordeur en de zijkant van het huis. Ik heb niets kunnen ontdekken."

13. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik realiseer mij nu achteraf dat ik op dat tijdstip, dus 17 juli 1995 omstreeks 02.30 uur, een brandlucht heb geroken. Ik dacht toen nog dat ik een barbecue of een openhaard rook, alhoewel het een raar tijdstip was daarvoor. Ik weet echter zeker dat ik een brandlucht heb geroken, maar omdat er verder niets aan het pand te zien was en er ook niemand reageerde op ons aanbellen, heb ik daar niet meer aan gedacht."

14. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5]:

"Op 17 juli 1995, omstreeks 03.10 uur werd mijn vrouw wakker. Omdat het raam openstond en de wind onze kant op stond rook zij een brandlucht. Dat vertelde ze mij. Omstreeks 03.30 uur keek ik vanuit de badkamer naar buiten. Ik zag toen rook hangen bij het oude huis (het hof begrijpt: aan de [a-straat 1]) van [betrokkene 8].

Ik ben toen direct naar buiten gegaan. Ik zag dat er rook onder het dak aan de zijkant van het pand kwam. Ik ben direct terug gegaan naar huis en heb de brandweer gewaarschuwd."

15. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

"Vanuit mijn woning heb ik uitzicht op de achterzijde van het pand [a-straat 1]. Gisteren, zondag 16 juli 1995, omstreeks 20.00 uur, heb ik mijn woning verlaten, tezamen met mijn man.

Omstreeks 00.30 uur vannacht kwamen wij weer thuis.

Het viel mij toen direct op dat er op de smalle inrit, aan de achterzijde van het pand, een auto geparkeerd stond.

Ik zag namelijk in het lichtschijnsel koplampen blinken. Ik vond dit vreemd. Ik zag dat er tussen de gordijnen van de balkondeur een spleetje was waar licht doorviel. Ik wilde naar bed gaan, maar ik vond de situatie vreemd en vertrouwde het niet. Ik heb daarom vanaf de bovenverdieping wederom naar de achterzijde van het pand gekeken. Ik zag dat er achter de balkondeur nog steeds licht brandde. Ik zag dat door het spleetje in de gordijnen.

Omstreeks 04.00 uur ben ik weer wakker geworden omdat de brandweer voor de deur stond. Wat mij als eerste opviel was dat de auto, die eerder in die smalle inrit had gestaan, was verdwenen."

16. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

"Ter verduidelijking wil ik mijn eerste verklaring aanvullen. Op maandag 17 juli 1995, rond 00.30 uur kwamen mijn man en ik met de auto thuis.

Voor wij indraaiden zagen wij rechts, aan de achterzijde van de oude woning van [betrokkene 8], [a-straat 1], een auto staan. Die auto stond met de neus richting straat op de inrit. Toen wij op onze inrit stonden, deed mijn man de deur van onze woning open. Ik sloot de auto af en liep daarna ook naar binnen. Ik zag een flauw licht schijnen in de tuin. Dit kwam niet van de bouwlamp. Deze brandde niet. Het kwam uit de richting van de woonkamer. Dit licht ging vrij snel weer uit. Ik schat na een halve minuut. Ik liep naar boven. De bouwlamp boven de inrit brandde. Ik vond dit vreemd en ben de auto op de inrit in de gaten gaan houden vanuit mijn slaapkamer op de eerste verdieping. Ik zag toen dat er door een kier van de gordijnen licht brandde in de slaapkamer. Dit is de kamer waar het balkon voor zit. Op een gegeven moment, ik kan niet zeggen wanneer, zag ik dat flauwe licht, vermoedelijk uit de woonkamer weer aangaan. Na nog geen 5 minuten ging dit weer uit. Het licht in die slaapkamer is constant aangeweest. Dit zag ik door die kier. Het is in ieder geval tot 02.00-02.10 uur aangeweest. Toen ben ik naar bed gegaan en in slaap gevallen. De auto stond er nog steeds."

17. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"In de maand maart 1995 werd ik gebeld door een kennis van mij, [betrokkene 9], die eveneens woonachtig is in [plaats A]. Zij vroeg mij of ik interesse had om te gaan werken in een woning, zijnde het perceel [a-straat 1] te [plaats A]. Ik hoorde van [betrokkene 9] dat het huis met daaraan gebouwd een salon door de familie [betrokkene 8] verkocht was aan een familie [C].

Enige tijd na dit telefoontje werd ik gebeld door een mevrouw die zich [betrokkene 10] noemde en die tevens in [plaats A] woonachtig is. Later, tijdens gesprekken, bleek mij dat het [betrokkene 10] betrof, die als contactpersoon optrad tussen onder andere mij en [slachtoffer]. Toen ik de eerste keer met [betrokkene 10] in de woning was, vroeg ik aan [betrokkene 10] wat de bedoeling was en welke werkzaamheden er van mij werden verwacht. [betrokkene 10] zei dat ik daar zelf invulling aan moest geven, omdat ik zelf wel wist wat er in de huishouding gedaan moest worden. Tevens spraken [betrokkene 10] en ik af, dat ik zelf voor de aanschaf van schoonmaakartikelen zou zorgen.

Ik sprak toen met [slachtoffer] af, dat ik de eerstkomende maandag in de woning zou beginnen. [slachtoffer] vertelde dat [betrokkene 10] een sleutel had. Toen ik de eerste keer in de woning ging werken zag ik, dat er niets of nagenoeg niets veranderd was tussen het tijdstip, dat ik de eerste keer met [betrokkene 10] in de woning was en nu. Ik zag dat er een nieuwe keuken geplaatst was. In de woonkamer lag een tegelvloer en de benedenverdieping was nog voorzien van de oude vitrage van de vorige bewoners. Ook de salon was nog voorzien van de oude gordijnen. Ik zag dat op de eerste verdieping alles geschilderd was en dat de overloop, de drie kinderkamers en de ouderslaapkamer met de daarachter verlaagde ruimte voorzien waren van nieuwe vloerbedekking.

Ik kon zien dat de gehele bovenverdieping opnieuw geschilderd was. Ik kan mij nog herinneren dat zich op meerdere treden van de houten trap gele en witte verfvlekken bevonden.

Ik kan mij herinneren dat genoemde verfvlekken op de trap er nog opzaten toen ik op 12 juli 1995 voor de laatste keer in de woning ben geweest. Ik heb nooit verfvlekken aangetroffen op de vloerbedekking in deze woning. Ik heb de vloerbedekking in de gehele woning secuur gezogen, omdat na het leggen van nieuwe vloerbedekking altijd wel kleine vezeltjes achterblijven. Ik heb ook geen lijmvlekken of andere vlekken op de vloerbedekking van deze woning gezien of aangetroffen.

Op maandag 17 juli 1995, omstreeks 02.37 uur hoorde ik de telefoon. Mijn man ging uit bed naar de hal en nam de telefoon op. Mijn man vertelde dat het de meldkamer was en dat het alarm in de woning van de familie [C] was afgegaan en dat de politie onderweg was. Mijn man heeft in de hal van onze woning gewacht totdat de politie gearriveerd was en mijn man is toen naar de politie toegelopen. Ik ging via onze achterdeur met de sleutel van de woning van de familie [C] in de richting van de [a-straat 1]. Ik hoorde van mijn man dat de politie weer was vertrokken omdat zij een andere melding kregen. Ik heb toen wel ongeveer 10 a 15 keer op de voordeurbel gedrukt omdat ik degene die in de woning was wakker wilde maken om het alarm af te zetten.

Ik wist niet wie en of er inderdaad wel iemand in de woning aanwezig was. Omdat er geen reactie van binnenuit de woning kwam, veronderstelden wij dat er inderdaad niemand in de woning aanwezig was en dat de auto was achtergelaten.

Omstreeks 03.45 uur werd ik door mijn man gewekt en hij vertelde dat de brandweer bij de familie [C] stond. Ik heb in de woning nooit brandbare stoffen aangetroffen met uitzondering van de door mij gekochte brandspiritus. Dat was een flacon waarvan de inhoud ook al gedeeltelijk door mij was gebruikt. Ik heb ook nooit een fles petroleum in de woning, garage of salon gezien. Ik heb ook nooit thinner, terpentine, wasbenzine of andere brandbare producten in de woning zien staan."

18. een geschrift, houdende een vertaling van de verklaring van [betrokkene 11]:

"Rond het midden van mei 1995 werd ik gebeld door [veroordeelde], die wilde dat ik naar zijn huis in België zou gaan om voor twee, of misschien drie weekenden, van eind juni 1995 tot eind juli 1995, om het andere weekeinde op zijn drie dochters te passen.

Op 13 juni 1995 had ik een gesprek met [slachtoffer]. Ze vertelde me dat het ging om een baan waarbij ik steeds op de weekeinden als ze erom verzochten naar hen toe zou gaan om op hun dochters, [dochter 1], [dochter 2] en [dochter 3] te passen.

Ik vloog op vrijdag de 15de (het hof begrijpt: 15 juli 1995) en kwam om 12.40 uur 's-middags aan. Ik werd opgehaald door [veroordeelde] (het hof begrijpt, gelet op diverse zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen, dat hiermee bedoeld wordt verdachte [veroordeelde]) en de kinderen en we reden naar het huis.

We spraken over een op handen zijnde verhuizing naar [plaats C]. [Slachtoffer] kwam rond 20.30 uur thuis. Rond 21.30 uur gingen [veroordeelde] en [slachtoffer] weg in de Jaguar.

Ik dacht dat ze die nacht naar het Sheraton Hotel gingen, 's-morgens terug naar het huis zouden komen, waarna zij naar Amsterdam zou gaan en hij naar Frankfurt voor zaken en daarna door naar Amsterdam. Dit waren de plannen die mij verteld werden.

's-Ochtends belde [slachtoffer] me echter op en vroeg of alles oké was. Ik zei haar dat dit niet het geval was, omdat [dochter 2] en [dochter 1] [dochter 3] verschillende keren hadden geslagen. Ik nam de kinderen mee naar een restaurant. Toen we terug kwamen, arriveerde [veroordeelde] zowat meteen daarna. Hij zei dat [slachtoffer] naar Amsterdam was gegaan en dat hij nu naar Frankfurt zou gaan. Later, om ongeveer 19.30 of 20.00 uur, belde [slachtoffer] op vanuit een hotel in Amsterdam; ze ergerde zich dat [veroordeelde] nog niet was aangekomen en ze was nog geïrriteerder toen ik haar vertelde dat hij terug in huis was geweest. Ze belde nog twee keer en was woedend. 's-Zondags om 20.00 uur belde [slachtoffer] om te zeggen dat ze pas de volgende ochtend zouden terugkomen; dit was ook het plan geweest. Maandagochtend werd ik vroeg wakker ongeveer om 04.30 of 04.45 uur. Ik had de indruk dat [veroordeelde] al thuis was. Ik kwam hier echter niet eerder achter dan rond 05.15 uur, toen ik in zijn kamer ging kijken. Hij lag op bed in een kaki trainingspak met capuchon."

19. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

"Ik ben een broer van de in leven genaamde [slachtoffer]. Op 16 juli 1995 te 23.15 uur Engelse tijd (het hof begrijpt: op 16 juli 1995 te 00.15 uur Nederlandse tijd) werd ik gebeld door [slachtoffer]. Ze klonk blij en opgewekt. Ik zou de volgende dag in [plaats A] komen."

20. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 12]:

"Ik ben aannemer van beroep.

[Slachtoffer] belde me op een gegeven moment op met de vraag of ik wat werkzaamheden wilde verrichten in haar huis in België. Hoewel [slachtoffer] me vroeg iets te doen aan het huis in België, deed ik het werk uiteindelijk voor haar nieuwe huis in [plaats A].

Ik sprak met [slachtoffer] af dat ik twee weken zou werken aan het opknappen van haar nieuwe huis. Een vriend van me, [betrokkene 13], kwam me bij de werkzaamheden assisteren. De eerste dag van mijn bezoek was 10 april 1995. [Betrokkene 13] hield zich vooral bezig met behangen. Ik monteerde ongeveer 40 wandcontactdozen, ik veranderde lichtaansluitingen, ik schilderde een kasteel op een van de slaapkamerdeuren, schilderde een aantal binnendeuren en ik demonteerde de keuken en plaatste deze opnieuw.

Ik kreeg het werk niet af in twee weken.

k kwam terug naar Nederland op dinsdag 9 mei 1994 (het hof begrijpt: 1995) om het werk dat ik was begonnen af te maken. [betrokkene 13] kwam ook mee en bleef dit keer de hele periode. Dit keer legden we vloerbedekking op de eerste verdieping. Ik lijmde de vloerbedekking.

Ik verliet het huis samen met [betrokkene 13] uiteindelijk op zaterdag 13 mei 1995. Ik weet zeker dat tijdens ons verblijf op geen van de verdiepingen licht ontvlambare stoffen zijn gemorst en ik had die stoffen ook niet nodig om andere vlekken schoon te maken."

21. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een of meer van hen:

"Door ons is op vrijdag 9 oktober 1997, een oriënterend en hernieuwd onderzoek verricht aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal, laboratorium verslagen en veiliggestelde sporen, terzake de brand in het pand [a-straat 1] te [plaats A], op 17 juli 1995.

Het spoor gemerkt met nummer 3, een door ons uitgesneden stuk vloerbedekking met daarop een stuk in elkaar gezakt kunststof, was door ons op 18 juli 1995, verzonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, voor bepaling van onder andere de "aard van de kunststof en de soort van can of fles". Na dit onderzoek hebben wij genoemd spoor, welk was verpakt en gemerkt terug ontvangen. Zoals gebruikelijk is het spoor, door ons verbalisanten, in de staat waarin het verkeerde, opgeborgen bij de overige uit het pand veiliggestelde en terug ontvangen sporen.

In het verbeterd rapport van het Gerechtelijk Laboratorium, zaaknummer: 95.07.18.047 data: 10 augustus 1995, werd door Ing. J.W. van Wilsem, gerapporteerd dat "op het monster ad 3 een gesmolten kunststof voorwerp werd aangetroffen, dat qua vorm en kleur afkomstig kan zijn van een witte fles of witte jerrycan. Infrarood-analyse gaf aan dat het een kunststof was van de soort "polytheen".

Ons bleek bij hernieuwd onderzoek van het spoor nummer 3, dat het Gerechtelijk Laboratorium voor een eventuele bepaling en reconstructie van vormgeving en gewicht van het object, verzuimd had deze kunststof rest van de wollen vloerbedekking te verwijderen.

Tijdens het beschouwen van de in het genoemde pand veiliggesteld spoor, troffen wij "onder en in het spoor", welke was gemerkt als het spoor nummer 3 "nieuwe en tot op dat moment onbekende gegevens aan", welke zekerheid zouden kunnen geven over de aard van het aldaar aangetroffen spoor.

Gezien het feit dat wij verbalisanten, alsnog het gewicht van de gesmolten kunststof wilden weten om eventueel aan de hand daarvan alsnog iets te kunnen zeggen of men nu werkelijk te maken had met de rest van een fles ofwel jerrycan, werd door verbalisant. [betrokkene 4], genoemd spoor nummer 3 uitgepakt waarna door hem het restant wollen vloerbedekking werd verwijderd.

Na verwijdering van deze vloerbedekking bleek het gewicht van het versmolten kunststof materiaal 150 gram te bedragen.

Tevens zagen wij aan de onderzijde van de gesmolten kunststof een deel van een etiket. Op deze resten van etiket was een gedeelte van een tekst te zien. Het woord wat nog leesbaar was, is "brosser." Een eventuele kleur van het etiket was niet meer zichtbaar, maar er was wel een schuin verlopend drukraster te zien. Ook is een witte lijn te zien met vlak daaronder een donker kleurige dunne lijn. Gezien de lay-out van het aangetroffen gedeelte van etiket zoals; tekst, raster en lijnen leek het ons, verbalisanten, dat wij mogelijk te maken hadden met een fles of jerrycan, waarvan het etiket zou kunnen lijken op het etiket welke was geplakt op de fles petroleum, spoor gemerkt met nummer 20.

Op maandag 13 oktober 1997, werd door ons, verbalisanten ter informatie contact opgenomen met het bedrijf, nv [D], [e-straat 1] [plaats]. België. Dit bedrijf was vermeld op het etiket van bedoelde petroleumfles, en de aangetroffen flessen brandspiritus. Door dit genoemd bedrijf werd ons daarna vrijwillig vergelijkingsmateriaal, waaronder een jerrycan WHITE SPIRIT met etiket en een aantal lege jerrycans ter beschikking gesteld waarop het woord, "brosser." te lezen was en waarvan de layout overeen zou moeten komen met de resten van het etiket welke door ons waren aangetroffen op de onderzijde van het gesmolten kunststof (spoor nr.3). Door [getuige 3], van de nv [D], werd ons medegedeeld dat het etiket op de jerrycan met WHITE SPIRIT, in deze afmeting alleen gebruikt werd op polytheen jerrycans van 5 liter. Deze jerrycans met tweetalige opdruk in het Frans en Nederlands worden alleen in België verkocht. Volgens opgave van het bedrijf zou deze witkleurige jerrycan, zonder een dop, het gewicht hebben van circa 150 gram.

Bij het door ons ingestelde vergelijkend onderzoek met de resten van het etiket van de gesmolten jerrycan en het etiket van de ter beschikking gestelde WHITE SPIRIT jerrycan, zagen wij dat, de lay-out welke zichtbaar was op de resten van het etiket (spoor 3) overeen kwamen met het etiket op de ter beschikking gestelde White Spirit jerrycan van 5 liter. Verder zagen wij op het voorbeeld etiket het woord "brosses", welke soortgelijk was aan het woord "brosser" zoals werd aangetroffen op het stukje etiket, afkomstig van het spoor 3.

Bij het verdere onderzoek aan de kunststof resten van spoor 3, werd door ons een ingezakt gedeelte van de bovenzijde van de gesmolten kunststof open gebroken, dit omdat het ogenschijnlijk leek, dat op deze plaats mogelijk nog meer papierdelen zouden kunnen bevinden. Nadat wij dit gedeelte hadden opengebroken, zagen wij daarin resten van een etiket met een gedeelte van een barcode; barcode: ? ? 1 3 1 8 6 ? 2 0 0 2 5 9. Op de andere zijde van de ter beschikking gestelde WHITE SPIRIT jerrycan van 5 liter, zagen wij een etiket met barcode, zie foto 9. Op dit etiket zagen wij een barcode met een cijferreeks formule van: 5 4 1 3 1 8 6 2 0 0 2 5 9.

CONCLUSIE SPOOR NR. 3. Gezien het feit dat de layout op de resten van het aangetroffen etiket op de onderzijde van de gesmolten resten kunststof in spoor 3, overeen komt met de lay-out van een gedeelte van het ter beschikking gestelde etiket op de White Spirit jerrycan van de firma nv [D], het feit dat de barcode die werd aangetroffen in genoemde kunststof van spoor 3, voor het grootste gedeelte overeen kwam met het voorbeeld etiket op de achterzijde van de jerrycan met White Spirit, het feit dat er geen, niet verklaarbare verschilpunten werden aangetroffen, het feit dat deze barcode volgens het bedrijf automatisch is gekoppeld aan het aan de voorzijde aanwezige etiket, alsmede door de code aan de nv [D] voornoemd, het feit dat het gewicht van het aangetroffen spoor nummer 3 overeenkomt met het opgegeven gewicht door het bedrijf, wordt door ons gesteld dat de gesmolten kunststof (spoor nummer 3) welke door ons op 17 juli 1995, werd aangetroffen op de vloer in de slaapkamer van het pand, [a-straat 1] te [plaats A], een rest kunststof betrof van een jerrycan White Spirit van 5 liter van het merk; nv [D].

NADER ONDERZOEK SPOOR nr. 1. Gelet op de hierboven omschreven nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van spoor 3, werd door ons, ook een hernieuwd onderzoek ingesteld aan spoor 1.

Bij onderzoek van het spoor nummer 1. (resten van gesmolten kunststof) bleek ons dat er op pagina 7, (eerste alinea) is vermeld; "De vorm van de aangetroffen gesmolten resten duidde erop dat de flessen, voor de inwerking van de hitte, recht op de vloer en zonder afstuitdop, moeten hebben gestaan.

Bij beschouwing van het genoemde spoor nummer 1. is ons gebleken dat deze bevinding voor wat betreft dit spoor niet juist is.

Een duidelijk bewijs dat er in spoor nummer 1 sprake was van reële restanten van een PET fles welke kan zijn gebruikt voor terpentine, zijn zowel door ons bij nadere beschouwing, als ook bij het laboratorium onderzoek niet gevonden. De aangetroffen resten zijn voor een reconstructie te zeer gefragmenteerd.

De tekst in de eerste alinea blz. 7 van het technisch hoofd proces-verbaal, "De vorm van de aangetroffen gesmolten resten duidde erop dat de flessen, voor de inwerking van de hitte, recht op de vloer en zonder afsluitdop, moeten hebben gestaan", is dan ook alleen van toepassing op de aangetroffen terpentine jerrycan.

ONDERZOEK KUNSTSTOFDOP SPOOR 2: Bij het onderzoek aan spoor 2, een kunststof rest aangetroffen van een zwart kleurige dop. Bij het ingesteld onderzoek aan deze kunststof rest van een dop, bleek ons dat dit kunststof een gewicht had 5,6 gram. Het gewicht van de dop van genoemde ter beschikking gestelde terpentine jerrycan had een gewicht van 5,5 gram.

Een dop van een PET fles van een liter had een gewicht van 4,5 gram."

22. een rapport van T.N.O., opgemaakt door ing. P.B. Reijman, voor zover inhoudende:

"2. Opzet beproeving

Als opzet van het door TNO uit te voeren onderzoek is gekozen voor het uitvoeren van een aantal reconstructieve beproevingen waarbij het relevante gedeelte van de woning te [plaats A] in bouwkundige zin wordt gereconstrueerd, zodanig dat het geconstrueerde deel in brandtechnisch opzicht zo goed mogelijk overeenkomt met de woning te [plaats A]. Dat houdt in dat alleen die details zijn overgenomen die een significante invloed kunnen hebben op het ontstaan en de ontwikkeling van de brand.

De overwegingen om te kiezen voor een dergelijke reconstructie werden bepaald door de aard van de door het Gerechtshof geformuleerde vragen. De vragen kunnen worden beantwoord wanneer het brandgedrag van het bed onder de in [plaats A] aanwezige omstandigheden bekend zou zijn. Het brandgedrag van het bed wordt met name bepaald door de toegepaste materialen en opbouw van het bed, door de ruimte waarin het bed is geplaatst, de aanwezigheid van zuurstof en mogelijkheid van zuurstoftoevoer naar de brandruimte en de aard van de ontstekingsbron. Redenen die een reconstructie in het onderhavige geval mogelijk maken zijn:

De betrekkelijk eenvoudige geometrie van de bij brand betrokken ruimten; Het feit dat de brand beperkt van ontwikkeling is gebleven; Het feit dat de brand zelfstandig is gedoofd; De beperkte inrichting van de ruimten; De gedetailleerde vastlegging van de ruimte en inrichting door de TR.

De gereconstrueerde ruimten zijn opgebouwd in een voor dit doel beschikbaar zijnde beproevingshal van het Centrum voor Brandveiligheid. De hal heeft als afmetingen 12 x 9 x 9 meter (1 x b x h). De beproevingshal is voorzien van een rook-afzuiginstallatie met een capaciteit van 44.000 m3/h. De afzuiginstallatie is tijdens de daadwerkelijke beproevingen niet ingeschakeld. Dit om eventuele beïnvloeding van het verloop van de brand te vermijden. De beproevingshal grenst via een brede gang aan het overige gedeelte van het laboratorium waardoor ongehinderd instroom van lucht naar de reconstructieruimte kan plaatsvinden. Hiermee wordt een situatie verkregen die gelijk is aan de woning te [plaats A] waar luchttoevoer vanuit het overige gedeelte van de woning via het open trappenhuis vrij naar de brandruimte kon stromen.

2.1 Bouwkundige reconstructie

De te reconstrueren ruimten bestonden uit de garderobekamer, slaapkamer, badkamer en een deel van de gang van de woning te [plaats A]. Bouwtekeningen van de reconstructie zijn weergegeven in figuur

3. Uitgevoerde beproevingen

ORGANISATIE:

Naar aanleiding van verzoeken van de verdediging betreffende de bouwkundige opbouw en inrichting van de reconstructie zijn in overleg met de rechter-commissaris een aantal aanpassingen doorgevoerd.

Deze zijn:

- Het plafond is uitgevoerd in grenen kraalschroten en behandeld met een laag grondverf;

- De alarmsensor is aangesloten op een in werking zijnde meldcentrale;

- De sigaretten (marlboro light) en aansteker zijn t.b.v. de reconstructie aangeschaft.

3.2 Uitgevoerde beproevingen

In het navolgende zullen de uitgevoerde beproevingen worden besproken. In de beproevingen waar gesprenkeld wordt met terpentine wordt uitgegaan van een hoeveelheid terpentine van 2 liter per vierkante meter vloeroppervlak. Deze hoeveelheid is proefondervindelijk vastgesteld als zijnde de maximale opnamecapaciteit van de vloerbedekking. Hiertoe is van een hoeveelheid vloerbedekking de massa bepaald. Vervolgens is de vloerbedekking ondergedompeld in een hoeveelheid terpentine. De doordrenkte vloerbedekking is vervolgens uitgelekt op een rooster totdat alle vrijkomende terpentine was uitgestroomd. Uiteindelijk is de massa van de vloerbedekking wederom bepaald. Het verschil tussen de beide massabepalingen is de maximale opnamecapaciteit van de vloerbedekking. Deze bedroeg zoals eerder vermeld 2 liter/m2. Van de plaats direct voor de badkamerdeur is op basis van de door de TR gemaakte foto's een schatting gemaakt van het met terpentine besmette oppervlak. Op basis van deze foto's wordt een cirkelvormige plek voorgesteld met een diameter van ca. 1,5 mtr. Het oppervlak van deze plek bedraagt derhalve 1,77 m2. Met een opnamecapaciteit van de vloerbedekking van 2 liter/m2 bedraagt de te sprenkelen hoeveelheid terpentine op deze plaats 2 x 1,77 =3,5 liter. Een eenpersoonsbed heeft als afmetingen 0,9 x 2.0 meter = 1,8 m2 . De in test 2 gesprenkelde hoeveelheid terpentine onder het linker bed bedraagt hierdoor 2 x 1,8 = 3,6 liter. De hoeveelheid gesprenkelde terpentine ter plaatse van brandspoor 5 (sigaretten en aansteker) is betrekkelijk willekeurig bepaald op 1 liter.

Dit in overleg met de aanwezigen.

De terpentine en brandspiritus is geleverd door de firma [D] te België, in 1 literflessen en 5 liter jerrycans. In de woning te [plaats A] werd ten tijde van de brand om 02.38 uur de sabotagemelding vastgelegd.

Om 03.51 uur arriveert de gealarmeerde brandweer bij de woning.

Om 03.55 uur wordt het slachtoffer door de brandweer naar buiten gebracht. De tijdsduur tussen de sabotagemelding en het betreden van de brandruimte bedroeg derhalve ca. 1 uur en 15 minuten. Tijdens de uitgevoerde beproevingen wordt de ruimte tenminste ongestoord gelaten voor deze periode gerekend vanaf het moment dat de sabotagemelding wordt ontvangen.

De in de testbeschrijving genoemde tijden zijn gerekend vanaf het moment dat de metingen zijn gestart.

Tijdens de beproevingen zijn in de badkamer een aantal toiletrollen geplaatst op de plaats waar deze ook zijn aangetroffen in de woning te [plaats A]. Ook is op deze plaats en achter de badkamerdeur in de slaapkamer een literfles brandspiritus geplaatst.

3.2.1. Test 1

Inrichting: nieuw bed, nieuwe vloerbedekking, nieuwe PIR detector. Op het bed is een dekbed gedrapeerd. Het dekbed is met behulp van een katoenen hoeslaken omwikkeld om een dekbedovertrek te simuleren.

Om de twee matrassen is een katoenen hoeslaken aangebracht.

In het midden van het linker bed werd een sigaret ontstoken en plat liggend op het matras geplaatst. Vervolgens werd voor de badkamerdeur op de plaatsen van brandsporen 1 en 3 (rapport TR) een literfles en een vijfliter jerrycan terpentine geplaatst.

De literfles was gevuld met een 1/2 liter terpentine terwijl de vijfliter jerrycan was gevuld met 3 liter terpentine. De gezamenlijke hoeveelheid is bepaald aan de hand van de door de TR aangetroffen brand/terpentinevlek voor de badkamerdeur.

De fles en jerrycan zijn zonder dop op de vloerbedekking geplaatst. Verloop van de beproeving:

Test 1a: datum maandag 23-11-98, tijd: 11.00uur.

T=1.30 min.: ontsteking van de sigaret;

t=17.30 min.: sigaret gedoofd, geen uitbreiding van brand meer dan de afdruk van de sigaret in het katoenen hoeslaken en een lichte afdruk in het matras.

Test 1b:

t=23.00 min.: tweede sigaret ontstoken en schuin steunend tegen het dekbed met gloeiende askegel op hoeslaken geplaatst;

t=27.00 min.: askegel verwijderd, gloeiende askegel zakt op hoeslaken;

t=33.00 min.: sigaret gedoofd, geen branduitbreiding meer dan de afdruk van de askegel in het hoeslaken en onderliggende matras.

Test 1c:

t=38.00 min.: derde sigaret ontstoken en steunend op de gloeiende askegel op het hoeslaken geplaatst. Vervolgens gedurende de brandduur van de sigaret dieper in het ontstane brandgat gestoken;

t=54.00 min.: rook neemt iets toe, matras lijkt te smeulen/gloeien;

t=58.00 min.: geen rook meer zichtbaar, het geheel is gedoofd. Er blijkt een gaatje met een diepte van 2 cm in het matras te zijn gebrand/gesmolten.

Test 1d:

t=97.10 min.: methenaminepil ontstoken en centraal in het linker bed op het

hoeslaken geplaatst. Het brandende pilletje zakt door het hoeslaken in het matrasoppervlak;

t=100.00 min.: brandend oppervlak: ca. 10 x 15 cm;

t=102.00 min.: brandend oppervlak: ca. 30 x 30 cm;

t=103.00 min.: rooklaag 1/2 hoogte vanaf plafond;

t=106.00 min.: rooklaag 3/4 hoogte vanaf plafond;

t=113.00 min.: ontvangst sabotagemelding PIR detector, geen zicht meer in de kamer;

t=195.00 min.: afzuiging ingeschakeld, deuren geopend.

Waarnemingen na afloop van de test:

Na afloop van de test werden geen vuur of smeulverschijnselen waargenomen. De vloerbedekking is licht beroet en heeft behoudens de plaats waar het dekbed de vloer raakte geen verbrandingen. De verbranding van de vloerbedekking door het dekbed is slechts oppervlakkig. Van het bed is het hoofdeinde nagenoeg ongeschonden. De beide matrassen zijn voor een groot gedeelte weggebrand. Van de onderbouwen van het bed zijn grote delen intact. De fles en jerrycan worden buiten een lichte beroeting ongeschonden aangetroffen. Dit geldt ook voor de dop van de jerrycan. Op de in de badkamer aanwezige toiletrollen is geen enkele significante brandschade zichtbaar. Het naast het bed gelegen pakje sigaretten en aansteker worden enkel licht beroet aangetroffen. Door de zeer geringe en plaatselijke beschadiging van de vloerbedekking is besloten de vloerbedekking in de kamer en gang te gebruiken voor de volgende beproeving.

3.2.2 Test 2

Inrichting: nieuw bed, huidige vloerbedekking, nieuw dekbed, nieuw hoeslaken, nieuw dekbedovertrek.

Over het voeteneinde van het linker bed is een dekbed met katoenen overtrek gedrapeerd.

Het dekbed hangt voor een deel (20 %) aan het voeteneinde op de vloer.

Op dinsdag 24 november 1998 is om 06.00 uur 3,6 liter terpentine gesprenkeld op de vloerbedekking onder het linker bed. Vervolgens is het bed teruggeplaatst en de kamerdeuren gesloten. De ruimte is met behulp van warmteconvectoren op ca. 20°C gehouden.

Op woensdag 25 november 1998 om 10.00 uur is in aanwezigheid van de bij dit onderzoek betrokken partijen de ruimte betreden. Door de aanwezigen werd geen duidelijk waarneembare terpentinegeur waargenomen.

Vermeld dient te worden dat in de ruimte een brandlucht van de voorgaande brandproef aanwezig was. Echter een referentiemonster terpentine toonde aan dat de terpentinegeur, indien aanwezig, te onderscheiden zou zijn geweest. Ruikend op vloerniveau direct naast het bed en onder het matras van het linker bed werd wel een lichte terpentinegeur waargenomen.

Vervolgens werd voor de badkamerdeur 3,5 liter terpentine gesprenkeld. De een-liter-fles en een vijfliter jerrycan terpentine werden vervolgens leeg en zonder dop op de brandsporen 1 en 3 geplaatst. De dop van de jerrycan werd direct voor de stenen dorpel op brandspoor 2 geplaatst. Direct naast de lege fles en jerrycan zijn respectievelijk een fles en een jerrycan geplaatst waarin een 3 cm laagje terpentine aanwezig was. Het doel hiervan was na te gaan wat het smeltgedrag van een deels gevulde jerrycan en fles was.

Direct voorafgaand aan de ontsteking is ook 1 liter terpentine gesprenkeld ter plaatse van brandspoor 5 (rapport TR) doch direct naast (richting voeteneind van het bed) het pakje sigaretten en aansteker.

Om 13.00 uur werd met behulp van de aanwezige aansteker de gesprenkelde plaats op brandspoor 5 ontstoken. De gesprenkelde plek voor de badkamerdeur werd niet ontstoken.

Verloop van de beproeving:

Test 2: datum sprenkelen: dinsdag 24-11-98, tijd 06.00 uur;

datum geurindicatie: woensdag 25-11-98, tijd 10.00 uur;

datum ontsteking: woensdag 25-11-98, tijd 13.00 uur;

t=3.30 min.: ontsteking van spoor 5 met de aansteker (na ontsteking aansteker naast sigaretten geplaatst;

t=4.00 min.: beddengoed (hoeslaken en dekbed) brandt;

t=5.00 min.: brand voornamelijk in linker bed;

t=5.30 min.: rooklaag over volledige hoogte:

t=8.00 min.: geen zicht meer vanaf waarnemingpositie;

t=8.40 min.: sabotagemelding PIR detector ontvangen;

t=12.00 min.: geen vlammen meer zichtbaar;

t=84.30 min.: afzuiging ruimte ingeschakeld, deuren geopend.

Na betreden van de ruimte zijn geen vuur- of gloeiverschijnselen meer zichtbaar, de brand is gedoofd.

De gesprenkelde plaats voor de badkamerdeur blijkt niet tot ontsteking te zijn gekomen. Zowel de lege als de deels gevulde flessen en jerrycans worden ongeschonden doch deels beroet aangetroffen, er worden aan de flessen, jerrycans en dop van de jerrycan geen smeltverschijnselen waargenomen. De vloerbedekking onder het linkerbed is voor een gedeelte (ca. 70 %) tot op de ondervloer weggebrand doch niet over het volledige oppervlak. Van een deel van de vloerbedekking is de jute onderlaag kwetsbaar zichtbaar. Bij aanraking vallen delen van deze onderlaag uiteen. Met uitzondering van de ontstoken plaats op brandspoor 5 en onder het bed is de vloerbedekking in de kamer slechts beroet. Van de aansteker wordt slechts de stalen bovenhuis teruggevonden. Het pakje sigaretten is grotendeels verbrand. Van de zijde van het pakje sigaretten die tijdens de brand op de vloerbedekking lag zijn slechts de randen verbrand. De opdruk is goed leesbaar. In de gang zijn geen vuurverschijnselen zichtbaar geweest.

De vloerbedekking in de gang heeft geen brandschade opgelopen. Het plafond is licht aangetast door convectiewarmte. De aangrenzende garderobekamer en badkamer zijn door roet aangetast. Brandverschijnselen zijn in deze ruimten niet aangetroffen.

3.2.3 Test 3

Inrichting: nieuw bed, nieuwe vloerbedekking, nieuw dekbed, nieuw hoeslaken, nieuw dekbedovertrek, nieuwe deur van slaapkamer/gang.

Over het voeteneinde van het linker bed is een dekbed gedrapeerd. Het dekbed hangt voor een deel (20%) aan het voeteneind op de vloer.

Direct voorafgaand aan de beproeving is 3,6 liter terpentine gesprenkeld op de vloerbedekking onder het linker bed.

Vervolgens is het bed teruggeplaatst.

Vervolgens werd voor de badkamerdeur 3,5 liter terpentine gesprenkeld. De een-liter-fles en een vijfliter-jerrycan terpentine werden vervolgens leeg en zonder dop op de brandsporen 1 en 3 geplaatst. De dop van de jerrycan werd direct voor de stenen dorpel op brandspoor 5 geplaatst. Direct naast de lege fles en jerrycan zijn wederom respectievelijk een fles en een jerrycan geplaatst waarin een 3 cm laagje terpentine aanwezig was.

Direct voorafgaand aan de ontsteking is ook 1 liter terpentine gesprenkeld ter plaatse van brandspoor 5 (rapport TR) doch direct naast (richting voeteind van het bed) het pakje sigaretten en aansteker.

Om ca. 18.00 uur werd met behulp van de aanwezige aansteker de gesprenkelde plaats op brandspoor 5 ontstoken.

Na ontsteking van deze plaats werd ook de gesprenkelde plek voor de badkamerdeur ontstoken.

Test 3: datum woensdag 25-11-98. tijd: 18.00 uur.

t=3.10 min.: ontsteking van spoor 5 met een aansteker;

t=3.20 min.: ontsteking van gesprenkelde plaats voor de badkamerdeur;

t=4.25 min.: beide bedden branden;

t=5.00 min.: vlamoverslag vindt plaats, de gehele ruimte vat vlam, gelijktijdig wordt het sabotagealarm van de PIR detector ontvangen; Tijdens de vlamoverslag worden de vlammen onder de deur van de slaapkamer/gang doorgeblazen.

t=5.l0 min.: geen zicht meer vanaf waarnemingpositie;

t=82.40 min.: deuren geopend.

Na betreden van de ruimte zijn beperkte vuurverschijnselen zichtbaar nabij hoofdeinde bed en dekbed op vloerniveau. Deze zijn geblust met water. De lege fles, jerrycan en dop worden versmolten op de vloerbedekking aangetroffen. De deels gevulde fles en jerrycan worden slechts deels versmolten aangetroffen. De bodem van de fles en jerrycan zijn intact, waarbij het boven het vloeistofniveau gelegen gedeelte van de fles en jerrycan op de intact gebleven bodem zijn gezakt. De in de fles en jerrycan aanwezige hoeveelheid terpentine wordt in de bodem aangetroffen. Deze hoeveelheid is niet tot ontbranding gekomen. De vloerbedekking onder het linkerbed is nagenoeg intact. Onder het rechter bed is de vloerbedekking ter plaatse van het hoofdeinde voor een groot gedeelte weggebrand. Dit is ook de plaats waar na het betreden van de ruimte nog enige vuurverschijnselen zichtbaar waren. De overige vloerbedekking in de slaapkamer vertoont over een groot oppervlak een verkoolde laag waarbij het gedeelte het dichtst gelegen bij de ontstoken plaatsen de zwaarste verbrandingen te zien geeft. Het pakje sigaretten is wederom grotendeels verbrand. Van de zijde van het pakje sigaretten die tijdens de brand op de vloerbedekking lag zijn slechts de randen verbrand. Ook nu is de opdruk goed leesbaar. In de gang worden verbrandingen in de vloerbedekking aangetroffen. Deze verbranding heeft een schuin brandpatroon in de vloerbedekking achtergelaten. De houten plinten zijn niet of nauwelijks door de brand aangetast. Tijdens de vlamoverslag in de slaapkamer heeft er behalve de branddoorslag onder de deur, in mindere mate ook vlamdoorslag langs de bovenzijde van de deur plaatsgevonden. Op het onbewerkte plafond van de gang zijn lichte verschroeiingen aangetroffen.