22 december 2009

Eerste Kamer

09/03593

EE/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

Verzoekster tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van 7 juli 2009 heeft de rechtbank Almelo het verzoek van [verzoekster] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 27 augustus 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in het door haar ingestelde cassatieberoep, wat er ten gronde ook zij van ’s hofs arrest en de daartegen gerichte klachten.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Ingevolge art. 292 lid 5 in verbinding met lid 3 F. kan tegen het onder 2 aangeduide arrest beroep in cassatie worden ingesteld binnen acht dagen, te rekenen van de dag van de uitspraak. De cassatietermijn in het onderhavige geval verstreek op 4 september 2009. Het verzoekschrift is op 5 september 2009 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, zodat het cassatieberoep te laat is ingesteld. Verzoekster zal derhalve in haar verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.