Als op grond van artikel 95d van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 45 van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.18, derde lid, een vergunning is verleend, wordt deze vergunning voor de duur van deze vergunning aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 2.18, derde lid.
Energiewet Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 12-03-2026.
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Energiemarkten
Afdeling 2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 2.2 Leveren, faciliteren in peer-to peer-handel en energie delen
Paragraaf 2.2.1 Algemene voorschriften over contractuele verhouding tussen eindafnemers en leveranciers
Paragraaf 2.2.2 Aanvullende voorschriften over contractuele verhouding tussen huishoudelijk eindafnemers of micro-ondernemingen en leveranciers
Paragraaf 2.2.3 Voorschriften beëindigen van leveringsovereenkomsten en leveringsovereenkomsten inzake peer-to-peer-handel
Paragraaf 2.2.4 Vergunning leveranciers voor levering aan of facilitering in peer-to-peer-handel ten behoeve van eindafnemers met een kleine aansluiting
Paragraaf 2.2.5 Leveranciersmodel
Paragraaf 2.2.6 Energie delen
Paragraaf 2.2.7 Overige bepalingen
Afdeling 2.3 Terugleveren, faciliteren in peer-to-peer-handel en vraagrespons ten behoeve van actieve afnemers
Afdeling 2.4 Balanceren
Afdeling 2.5 Meten
Paragraaf 2.5.1 Algemene bepalingen
Paragraaf 2.5.2 Verplichtingen meetverantwoordelijke partijen
Paragraaf 2.5.3 Verplichtingen voor anderen dan meetverantwoordelijke partijen
Afdeling 2.6 Overige bepalingen
Paragraaf 2.6.1 Garanties van oorsprong
Paragraaf 2.6.2 Beperken gebruik laagcalorisch gas
Paragraaf 2.6.3 Overige bepalingen
Hoofdstuk 3 Beheer van elektriciteits- en gassystemen
Afdeling 3.1 Aanwijzen, certificeren en erkennen van systeembeheerders
Afdeling 3.2 Inrichting en voorwaarden transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders
Paragraaf 3.2.1 Inrichtingseisen en voorwaarden voor transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders
Paragraaf 3.2.2 Voorwaarden en samenwerking infrastructuurgroep
Afdeling 3.3 Taken transmissiesysteembeheerder en distributiesysteembeheerder
Paragraaf 3.3.1 Taken algemeen
Paragraaf 3.3.2 Taken inzake beheren, onderhouden en ontwikkelen
Paragraaf 3.3.3 Taken inzake aansluiten
Paragraaf 3.3.4 Taken inzake transporteren
Paragraaf 3.3.5 Taken inzake balanceren
Paragraaf 3.3.6 Taken inzake meten
Paragraaf 3.3.7 Overige en ondersteunende taken
Paragraaf 3.3.8 Bijzondere taken voor de transmissiesysteembeheerder voor gas
Paragraaf 3.3.9 Tijdelijke taken
Afdeling 3.4 Verplichtingen transmissiesysteembeheerder en distributiesysteembeheerder bij taakuitoefening
Afdeling 3.5 Beheerders van bijzondere systemen
Paragraaf 3.5.1 Beheerder van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee
Paragraaf 3.5.2 Interconnectorsysteembeheerder
Paragraaf 3.5.3 LNG-beheerder
Paragraaf 3.5.4 Gasopslagbeheerder
Paragraaf 3.5.5 Beheerder gesloten systeem
Afdeling 3.6 Tarieven, methoden en voorwaarden en overige verplichtingen ten aanzien van overeenkomsten met aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers, of balanceringsverantwoordelijken
Paragraaf 3.6.1 Tarieven algemeen
Paragraaf 3.6.2 Tariefreguleringsmethode vooraf vastgestelde tarieven
Paragraaf 3.6.3 Berekeningsmethoden overige tarieven
Paragraaf 3.6.4 Tarieven beheerders bijzondere systemen
Paragraaf 3.6.5 Overige methoden en voorwaarden
Paragraaf 3.6.6 Overige verplichtingen t.a.v. overeenkomsten met aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken
Afdeling 3.7 Ontheffingen nieuwe systemen
Hoofdstuk 4 Beheren en uitwisselen van gegevens
Afdeling 4.1 Gegevens en processen
Afdeling 4.2 Registers
Afdeling 4.3 Taken van de gegevensuitwisselingsentiteit
Afdeling 4.4 Overleg en afspraken
Hoofdstuk 5 Uitvoering, toezicht en handhaving
Afdeling 5.1 Uitvoering door Autoriteit Consument en Markt
Afdeling 5.2 Uitvoering door Onze Minister
Afdeling 5.3 Toezicht op de naleving
Afdeling 5.4 Handhaving
Afdeling 5.5 Verstrekken en gebruiken gegevens en inlichtingen
Afdeling 5.6 Retributies
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Afdeling 6.1 Projectbesluit
Afdeling 6.2 Investeringstoetsen
Afdeling 6.3 Beleid en advisering energiesysteem
Paragraaf 6.3.1 Nationaal plan energiesysteem
Paragraaf 6.3.2 Raad voor Energie
Afdeling 6.4 Parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving
Afdeling 6.5 Verhoudingen andere wetten
Afdeling 6.6 Overige bepalingen
Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 7.1 Wijziging andere wetten
Afdeling 7.2 Overgangsrecht
- Artikel 7.21
- Artikel 7.22
- Artikel 7.23
- Artikel 7.24
- Artikel 7.25
- Artikel 7.26
- Artikel 7.27
- Artikel 7.28
- Artikel 7.29
- Artikel 7.30
- Artikel 7.31
- Artikel 7.32
- Artikel 7.33
- Artikel 7.34
- Artikel 7.35
- Artikel 7.36
- Artikel 7.37
- Artikel 7.38
- Artikel 7.39
- Artikel 7.40
- Artikel 7.41
- Artikel 7.42
- Artikel 7.43
- Artikel 7.44
- Artikel 7.45
- Artikel 7.46
- Artikel 7.47
- Artikel 7.48
- Artikel 7.49
- Artikel 7.50
- Artikel 7.51
- Artikel 7.52
- Artikel 7.53
Afdeling 7.3 Slotbepalingen
Afdeling 7.2
Artikel 7.22
Indien op grond van artikel 95f, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 47, tweede lid, van de Gaswet, zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.25, kleinverbruikers zijn toegedeeld aan een aangewezen vergunninghouder, blijven de regels krachtens genoemde artikelen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ten aanzien van de verbintenissen met kleinverbruikers van toepassing.
Artikel 7.23
-
Indien voor inwerkingtreding van artikel 2.46 een aangeslotene met grote aansluiting met een gecontracteerd vermogen van minder dan 0,1 MW, met uitzondering van een aangeslotene als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, beschikt over een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit die voldoet aan de krachtens artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 gestelde voorwaarden zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel 2.46, mag een aangeslotene deze meetinrichting tot en met 31 december 2025 gebruiken.
-
Indien voor inwerkingtreding van artikel 3.55, eerste lid, bij een systeemkoppeling tussen een distributiesysteem en een transmissiesysteem voor elektriciteit op grond van de krachtens artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 gestelde voorwaarden zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel 3.55, eerste lid, geen meetinrichting is vereist, beschikt deze systeemkoppeling uiterlijk op 31 december 2029 over een geïnstalleerde meetinrichting.
Artikel 7.24
-
Een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit waarover een aangeslotene als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, voor inwerkingtreding van artikel 2.46 beschikt, wordt tot 1 januari 2028 aangemerkt als een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen.
-
Zodra een aangeslotene als bedoeld in het eerste lid beschikt over een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen:
maakt hij gebruik van de communicatiefunctionaliteit van die meetinrichting; en
verzamelt een erkende meetverantwoordelijke partij bij deze aangeslotene uiterlijk op 1 januari 2028 de meetgegevens met de krachtens artikel 2.48, tweede lid, vastgestelde frequentie.
Artikel 7.25
-
Indien voor inwerkingtreding van artikel 2.46 een aangeslotene met grote aansluiting op een systeem voor gas met een jaarlijks verbruik van ten hoogste 170.000 m3 gas beschikt over een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit die voldoet aan de krachtens artikel 12f van de Gaswet gestelde voorwaarden zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel 2.46, mag een aangeslotene deze meetinrichting tot en met 31 december 2026 gebruiken.
-
Een erkende meetverantwoordelijke partij verzamelt bij een aangeslotene als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 1 januari 2027 de meetgegevens met de krachtens artikel 2.48, tweede lid, vastgestelde frequentie.
Artikel 7.26
-
Indien voor inwerkingtreding van deze wet door een systeembeheerder op verzoek een meetinrichting ter beschikking is gesteld aan een aangeslotene met een grote aansluiting, blijft de systeembeheerder deze meetinrichting op verzoek ter beschikking stellen en wordt deze meetinrichting op verzoek van de aangeslotene beheerd door de systeembeheerder.
-
Indien voor inwerkingtreding van deze wet een aangeslotene met een aansluiting op het transmissiesysteem voor gas een meetinrichting beheert, kan de aangeslotene deze meetinrichting blijven beheren tot de aangeslotene de transmissiesysteembeheerder voor gas verzoekt om de situatie te beëindigen. De aangeslotene verleent daarbij de nodige medewerking.
-
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
de installatie en het beheer van meetinrichtingen;
het verzamelen, valideren en vaststellen van meetgegevens;
de doorgifte van gegevens van de beheerde meetinrichtingen en meetgegevens aan een bij die ministeriële regeling te bepalen registerbeheerder.
Artikel 7.27
-
Een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit die voor inwerkingtreding van deze wet aan een aangeslotene met een kleine aansluiting ter beschikking is gesteld en die niet of niet geheel voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of de krachtens artikel 42a, eerste lid, van de Gaswet gestelde eisen zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt voor 15 jaren, te rekenen vanaf de datum van terbeschikkingstelling aan die aangeslotene aangemerkt als een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen.
-
Een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit die voor inwerkingtreding van deze wet aan een aangeslotene met een kleine aansluiting ter beschikking is gesteld en die tenminste voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of de krachtens artikel 42a, eerste lid, van de Gaswet gestelde eisen zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen.
Artikel 7.28
-
Een distributiesysteembeheerder stelt in een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode op een door hem voorzien tijdstip aan aangeslotenen met een kleine aansluiting een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen op of nabij het overdrachtspunt beschikbaar, tenzij hij redelijkerwijs niet in staat is die meetinrichting te plaatsen en de oorzaak daarvan niet in de macht van de aangeslotene ligt.
-
Een distributiesysteembeheerder stelt een aangeslotene met een kleine aansluiting op zijn verzoek op een ander tijdstip dan het door de systeembeheerder op grond van het eerste lid voorziene tijdstip binnen vier maanden een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit ter beschikking tenzij dit ertoe leidt dat de planning die de distributiesysteembeheerder hanteert om te voldoen aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, niet wordt gehaald.
-
Een distributiesysteembeheerder stelt aan een aangeslotene met een kleine aansluiting op zijn verzoek een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit beschikbaar:
indien de bestaande meetinrichting wordt vervangen, tenzij het ter beschikking stellen niet kostenefficiënt is in verhouding tot de geraamde potentiële energiebesparingen op lange termijn;
indien een nieuwe aansluiting wordt aangelegd in een gebouw;
indien een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd.
-
Indien een systeembeheerder redelijkerwijs niet in staat is een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen te plaatsen en de oorzaak daarvan niet in de macht van de aangeslotene ligt, mag een aangeslotene met een kleine aansluiting de geïnstalleerde meetinrichting die niet voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen blijven gebruiken.
-
Indien een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit door een distributiesysteembeheerder ter beschikking is gesteld ingevolge het tweede of derde lid, is de desbetreffende aangeslotene aan de desbetreffende distributiesysteembeheerder een vergoeding verschuldigd in verband met de meerkosten.
-
Een distributiesysteembeheerder zendt Onze Minister de persoonsgegevens van een aangeslotene met een kleine aansluiting indien hij deze aangeslotene een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen ter beschikking heeft gesteld maar dit niet heeft geleid tot installatie van die meetinrichting.
Artikel 7.29
-
Indien een meetverantwoordelijke partij die de krachtens artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 onderscheidenlijk artikel 12f van de Gaswet gestelde voorwaarden zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel 2.50, is erkend, wordt deze erkenning tot het tijdstip waarop de Autoriteit Consument en Markt heeft besloten op een aanvraag om een erkenning als bedoeld in artikel 2.50 aangemerkt als een erkenning als bedoeld in artikel 2.50.
-
Een meetverantwoordelijke partij als bedoeld in het eerste lid vraagt binnen twee jaar na inwerkingtreding van artikel 2.50 een erkenning aan bij de Autoriteit Consument en Markt.
Artikel 7.30
-
Een rekening die is geopend op grond van artikel 73 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.58, tweede lid, wordt aangemerkt als rekening geopend op grond van artikel 2.58, tweede lid.
-
Een rekening die is geopend op grond van artikel 66i van de Gaswet zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.58, tweede lid, wordt aangemerkt als rekening geopend op grond van artikel 2.58, tweede lid.
-
Een garantie van oorsprong voor duurzame elektriciteit die is uitgegeven op grond van artikel 73 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.57, eerste lid, wordt aangemerkt als garantie van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen uitgegeven op grond van artikel 2.57, eerste lid.
-
Een garantie van oorsprong voor elektriciteit geproduceerd in een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling die is uitgegeven op grond van artikel 73 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.57, tweede lid, wordt aangemerkt als garantie van oorsprong voor elektriciteit geproduceerd in een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling uitgegeven op grond van artikel 2.57, tweede lid.
-
Een certificaat van oorsprong voor elektriciteit die is uitgegeven op grond van artikel 73 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.57, vierde lid, wordt aangemerkt als garantie van oorsprong voor elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen uitgegeven op grond van artikel 2.57, vierde lid.
-
Een garantie van oorsprong voor hernieuwbare energiebronnen die is uitgegeven op grond van artikel 66i van de Gaswet zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.57, derde lid, wordt aangemerkt als garantie van oorsprong voor gas uit hernieuwbare bronnen uitgegeven op grond van artikel 2.57, derde lid.
Artikel 7.31
-
Als op grond van artikel 10, tweede lid, of artikel 10Aa, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 een netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet of interconnectorbeheerder is aangewezen, wordt deze aanwijzing voor de duur daarvan aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b.
-
Als op grond van de artikelen 10, negende lid, en 12, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 een netbeheerder is aangewezen en Onze Minister met die aanwijzing heeft ingestemd, wordt deze aanwijzing en die instemming voor de duur daarvan aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel e, en worden de aldus aangewezen netbeheerder voor de duur van die aanwijzing geacht te zijn gecertificeerd als bedoeld in artikel 3.4.
-
Als op grond van artikel 2, eerste lid, of artikel 2b, eerste lid, van de Gaswet, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 een netbeheerder van het landelijk gastransportnet of interconnectorbeheerder is aangewezen, wordt deze aanwijzing voor de duur daarvan aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2 eerste lid, onderdeel c of onderdeel d.
-
Als op grond van de artikelen 2, achtste lid, en 4, tweede lid, van de Gaswet, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 een netbeheerder is aangewezen en Onze Minister met die aanwijzing heeft ingestemd, wordt deze aanwijzing en die instemming voor de duur daarvan aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2 eerste lid, onderdeel f, en worden de aldus aangewezen netbeheerder geacht voor de duur van die aanwijzing gecertificeerd te zijn als bedoeld in artikel 3.4.
-
Als op grond van artikel 15a, tweede lid, in combinatie met artikel 10, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 een netbeheerder voor het net op zee is aangewezen, wordt deze aanwijzing voor de duur daarvan aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel g, en worden de aldus aangewezen netbeheerder voor de duur van die aanwijzing geacht te zijn gecertificeerd als bedoeld in artikel 3.4.
-
Als op grond van artikel 9a van de Gaswet zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 een beheerder van een LNG-installatie of een gasopslaginstallatie is aangewezen en Onze Minister met die aanwijzing heeft ingestemd, wordt deze aanwijzing en die instemming voor de duur daarvan aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdelen h respectievelijk i.
-
Als op grond van artikel 10, derde lid, of artikel 10Aa, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.4 een netbeheerder of interconnectorbeheerder is gecertificeerd, wordt deze certificering aangemerkt als een certificering als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid.
-
Als op grond van artikel 15a, tweede lid, in combinatie met artikel 10, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.4 een netbeheerder voor het net op zee is gecertificeerd, wordt deze certificering aangemerkt als een certificering als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid.
-
Als op grond van artikel 2, derde lid, of 2b, eerste lid, van de Gaswet, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.4 een netbeheerder of interconnectorbeheerder is gecertificeerd, wordt deze certificering aangemerkt als een certificering als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid.
Artikel 7.32
-
Als op grond van artikel 15 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.6 en artikel 3.7, aan een eigenaar van een gesloten distributiesysteem ontheffing is verleend van het gebod van artikel 10, negende lid, van de Elektriciteitswet 1998 wordt de eigenaar van een gesloten systeem gedurende de tijd waarvoor hij over deze ontheffing beschikt, geacht te beschikken over een erkenning als bedoeld in artikel 3.7 en een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.6, onderdeel a.
-
Als op grond van artikel 2a van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.6 en artikel 3.7, aan een eigenaar van een gesloten distributiesysteem ontheffing is verleend van het gebod van artikel 2, achtste lid, van de Gaswet, wordt de eigenaar van een gesloten systeem gedurende de tijd waarvoor hij over deze ontheffing beschikt, geacht te beschikken over een erkenning als bedoeld in artikel 3.7 en een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.6, onderdeel b.
Artikel 7.33
Als op grond van artikel 9h van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.9 of op basis van artikel 39h van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.9 een melding is gedaan, wordt deze melding aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid.
Artikel 7.34
-
Het beheer van een systeem met een spanningsniveau van 110 kilovolt of van 150 kilovolt door een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit geschiedt voor zover dat, en op een wijze die, in overeenstemming is met de rechten van derden die voortvloeien uit een overeenkomst als bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614) met betrekking tot dat systeem.
-
Als ingevolge een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, een ander dan een systeembeheerder voor elektriciteit over de eigendom van een systeem beschikt, behoeft, in afwijking van artikel 3.14, de systeembeheerder voor elektriciteit niet over de eigendom van dat systeem te beschikken.
-
Indien sprake is van een aansluitpunt als bedoeld in de Gaswet zoals die luidde voor 1 januari 2019 behoeft, in afwijking van artikel 3.14, de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas niet over de eigendom te beschikken van de aansluitleiding achter het aansluitpunt.
-
De transmissiesysteembeheerder voor gas behoeft, in afwijking van artikel 3.14, niet over de eigendom te beschikken van een aansluitleiding en daarmee verbonden hulpmiddelen die een buiten Nederland gelegen gasopslagsysteem verbindt met het transmissiesysteem voor gas indien hij onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel 3.14 niet over de eigendom van deze aansluitleiding en daarmee verbonden hulpmiddelen beschikte.
Artikel 7.35
Voor de toepassing van deze wet worden leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van transport van elektriciteit die één of meer windparken op zee verbinden met een transmissiesysteem voor elektriciteit en waarvoor voor de datum waarop deze wet in werking treedt een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of op grond van artikel 6.5 van de Waterwet is verleend, geacht geen onderdeel uit te maken van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee.
Artikel 7.36
-
Als op grond van artikel 17, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 10Aa, eerste lid, van de Gaswet, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.17, eerste lid, werkzaamheden werden uitgevoerd of uitbesteed, die op grond van artikel 3.17, eerste lid, niet langer zijn toegestaan, mogen deze gedurende vijf jaar worden voortgezet.
-
Indien voor inwerkingtreding van artikel 3.17, eerste lid, een transformator en de daaraan verbonden installaties ter beschikking is gesteld aan een eindafnemer, blijft de systeembeheerder deze transformator en de daaraan verbonden installaties ter beschikking stellen en wordt deze transformator beheerd door de systeembeheerder.
Artikel 7.37
-
Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit stelt voor de eerste maal een investeringsplan als bedoeld in artikel 3.34 op, twee jaar nadat zij voor de laatste maal een investeringsplan heeft opgesteld op grond van artikel 21 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.34. Tot dat tijdstip wordt het laatste investeringsplan dat is opgesteld op grond van artikel 21 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.35, vijfde lid, beschouwd als investeringsplan als bedoeld in dat voorschrift.
-
Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas stelt voor de eerste maal een investeringsplan als bedoeld in artikel 3.34 op, twee jaar nadat zij voor de laatste maal een investeringsplan heeft opgesteld op grond van artikel 7a van de Gaswet zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.34. Tot dat tijdstip wordt het laatste investeringsplan dat ze op grond van artikel 7a van de Gaswet zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.35, vijfde lid, beschouwd als investeringsplan als bedoeld in dat voorschrift.
Artikel 7.38
-
Het besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016 inzake de Gebiedsindeling elektriciteit, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat is gepubliceerd op de website van de Autoriteit Consument en Markt, en zoals dat nadien is gewijzigd, wordt geacht te zijn een besluit genomen krachtens artikel 3.37, eerste lid. De Autoriteit Consument en Markt publiceert dit besluit in de Staatscourant.
-
Het besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016 inzake de Gebiedsindeling gas, onderdeel van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet, zoals dat is gepubliceerd op de website van de Autoriteit Consument en Markt, en zoals dat nadien is gewijzigd, wordt geacht te zijn een besluit genomen krachtens artikel 3.37, eerste lid.
Artikel 7.39
-
Een besluit van een college van burgemeester en wethouders dat voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet is genomen krachtens artikel 10, zevende lid, onderdeel a, van de Gaswet, wordt geacht te zijn een besluit genomen krachtens artikel 3.40, derde lid, onderdeel a.
-
Een besluit van een college van burgemeester en wethouders dat voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet is genomen krachtens artikel 10, zevende lid, onderdeel b, van de Gaswet, wordt geacht te zijn een besluit genomen krachtens artikel 3.42, eerste lid.
Artikel 7.40
-
Indien op basis van artikel 41, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.108, of op basis van artikel 81, eerste lid, of 82, tweede lid, van de Gaswet, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.108, een methodebesluit is vastgesteld waarvan de geldigheidsperiode nog niet is verstreken, wordt dit methodebesluit geacht te zijn vastgesteld op basis van artikel 3.108, eerste lid.
-
Indien op basis van artikel 41a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.109, of op basis van artikel 81a, eerste lid, of 82, vierde lid, van de Gaswet, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.108, een besluit is vastgesteld waarvan de geldigheidsperiode nog niet is verstreken, wordt dit besluit geacht te zijn vastgesteld op basis van artikel 3.109, eerste lid.
-
In de situaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het tarievenbesluit, in afwijking van artikel 3.110, tweede lid, vastgesteld met inachtneming van artikel 41c van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.110, respectievelijk artikel 81c of 82, vijfde lid, van de Gaswet, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel 3.110.
-
Indien op basis van artikel 42b, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.118, een methodebesluit is vastgesteld, wordt dit methodebesluit geacht te zijn vastgesteld op basis van artikel 3.118, tweede lid.
-
In de situatie, bedoeld in het vierde lid, wordt het besluit dat wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 3.110, in afwijking van dat artikel 3.118, tweede lid, vastgesteld met inachtneming van de relevante bepalingen bij of krachtens de Elektriciteitswet 1998, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel 3.118, voor het vaststellen van de totale toegestane of beoogde inkomsten voor een betreffend jaar.
Artikel 7.41
-
De tarieven voor het in gebruik geven en beheren van een meetinrichting, als bedoeld in artikel 3.51, worden vastgesteld op basis van artikel 40a van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 81e, tweede lid, van de Gaswet en de krachtens deze artikelen vastgestelde Regeling meettarieven, zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, tot het moment waarop voor de eerste maal na inwerkingtreding van deze wet de op grond van artikel 3.110 vastgestelde tarieven in werking treden.
-
Voor het vaststellen van de tarieven voor het in gebruik geven en beheren van een meetinrichting, als bedoeld in artikel 3.51, betrekt de Autoriteit Consument en Markt bij de toepassing van artikel 3.110, tweede lid, de verschillen die de Autoriteit Consument en Markt vanaf 2011 jaarlijks heeft vastgesteld op basis van artikel 4a van de Regeling meettarieven zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
-
De cumulatieve verschillen, bedoeld in het tweede lid, worden over een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode gebruikt om de totale toegestane of beoogde inkomsten en de tarieven voor het in gebruik geven en beheren van een meetinrichting, als bedoeld in artikel 3.51, te corrigeren.
Artikel 7.42
-
Tariefstructuren of voorwaarden die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.121 overeenkomstig hoofdstuk 3, paragraaf 5, van de Elektriciteitswet 1998 en paragraaf 2.2 van de Gaswet van kracht waren, worden, voor zover vallend binnen de reikwijdte van artikel 3.119, eerste lid, beschouwd als op grond van artikel 3.121 goedgekeurde methoden of voorwaarden.
-
Als onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 3.120 en 3.121 een voorstel, dan wel een vaststellingsbesluit in voorbereiding is overeenkomstig hoofdstuk 3, paragraaf 5, van de Elektriciteitswet 1998 of paragraaf 2.2 van de Gaswet, blijven laatstgenoemde paragrafen van toepassing op de verdere voorbereiding en totstandkoming van het voorstel en het vaststellingsbesluit.
-
Methoden of voorwaarden die overeenkomstig het tweede lid worden vastgesteld, worden beschouwd als methoden of voorwaarden goedgekeurd op grond van artikel 3.121.
-
Op een overeenkomst tussen een transmissie- of distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee en een aangeslotene, netgebruiker, marktdeelnemer of balanceringsverantwoordelijke die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 3.6.5 van kracht was, zijn de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.121, van toepassing.
Artikel 7.43
-
Een ontheffing die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.124, overeenkomstig artikel 37a van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 12h van de Gaswet van kracht is, wordt voor de duur van deze ontheffing gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.124.
-
Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.124 blijft van toepassing ten aanzien van de voorbereiding en vaststelling van een besluit op een voor die inwerkingtreding gedane aanvraag om een ontheffing.
-
Een ontheffing die overeenkomstig het tweede lid wordt verleend wordt, zodra deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.124.
Artikel 7.44
-
Methoden of voorwaarden die zijn vastgesteld op grond van een krachtens artikel 39 van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 35a van de Gaswet vastgestelde algemene maatregel van bestuur worden gelijkgesteld met methoden of voorwaarden als bedoeld in artikel 3.121, eerste lid.
-
Methoden of voorwaarden die zijn goedgekeurd op grond van een krachtens artikel 10Aa, achtste lid, of 39 van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 2b, zevende lid, of 35a van de Gaswet vastgestelde algemene maatregel van bestuur worden in geval van een transmissiesysteembeheerder en in geval van een krachtens artikel 4 van verordening 2015/1222 door de Autoriteit Consument en Markt aangewezen benoemde elektriciteitsmarktbeheerder gelijkgesteld met methoden of voorwaarden als bedoeld in artikel 3.121, tweede lid, en in geval van een interconnectorsysteembeheerder met methoden of voorwaarden als bedoeld in artikel 3.123.
-
Op een overeenkomst tussen een transmissiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee en een aangeslotene, netgebruiker, marktdeelnemer, of balanceringsverantwoordelijke die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 3.6.5 van kracht was, zijn de methoden of voorwaarden van de transmissiesysteembeheerder, bedoeld het eerste en tweede lid, van toepassing.
Artikel 7.45
-
Als op grond van artikel 16, vierde lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, een ontheffing is verleend, wordt deze ontheffing voor de duur daarvan aangemerkt als een ontheffing als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c.
-
Als op grond van artikel 18h van de Gaswet zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.128 en 3.129 een ontheffing is verleend, wordt deze ontheffing:
indien deze is verleend voor een interconnector voor gas, voor de duur daarvan aangemerkt als een ontheffing als bedoeld in artikel 3.128 met inbegrip van ontheffing van artikel 3.116;
indien deze is verleend voor een gasopslaginstallatie of een LNG-installatie, voor de duur daarvan aangemerkt als een ontheffing als bedoeld in artikel 3.129.
Artikel 7.46
-
Als op grond van artikel 10g, tweede lid, van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.63, tweede lid, een melding is gedaan, wordt deze melding aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 2.63, tweede lid.
-
Als op grond van artikel 10j, eerste lid, van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.64, eerste lid, een planning voor de buitenwerkingstelling is ingediend, wordt deze planning aangemerkt als een planning als bedoeld in artikel 2.64, eerste lid.
-
Als op grond van artikel 10k, derde lid, van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.71, derde lid, een bindende gedragslijn is opgelegd, wordt deze bindende gedragslijn aangemerkt als een bindende gedragslijn als bedoeld in artikel 3.71, derde lid.
-
Als op grond van artikel 10l, eerste, tweede of derde lid, van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.65 een ontheffing is opgelegd, worden deze ontheffingen aangemerkt als ontheffingen als bedoeld in artikel 2.65, eerste, tweede respectievelijk derde lid.
-
Als op grond van artikel 10m, eerste lid, van de Gaswet, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.14, eerste lid, een vergoeding is toegekend, worden deze vergoeding aangemerkt als vergoeding als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid.
Artikel 7.47
-
Als op grond van de artikelen 7a van de Elektriciteitswet 1998 en 1i van de Gaswet zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, een ontheffing is verleend, blijft deze ontheffing van kracht voor de duur van die ontheffing.
-
Onze Minister zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de wenselijkheid van wijziging van wet- of regelgeving.
Artikel 7.48
Artikel 66d, vierde lid, van de Gaswet zoals dat luidde voor inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 19 mei 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet (het verwijderen of hergebruiken van mijnbouwwerken en investeringsaftrek) (Kamerstukken
Artikel 7.49
-
Onder een aansluiting voor gas wordt mede verstaan een aansluitpunt, dat bestaat uit een deel van de aansluiting van het transmissiesysteem of distributiesysteem tot en met de eerste afsluiter die is aangelegd voor 1 januari 2019.
-
Indien sprake is van een aansluitpunt als bedoeld in de Gaswet zoals die luidde voor 1 januari 2019, beperkt de taak, bedoeld in artikel 3.41, eerste lid, zich tot het in gebruik geven, beheren en onderhouden van dat aansluitpunt.
Artikel 7.50
De gaskwaliteitseisen in bijlage 3 bij de Regeling gaskwaliteit, zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1 en artikel 3.38, eerste lid, blijven van toepassing het raffinaderijgas-systeem, bedoeld in bijlage 8 bij die regeling.
Artikel 7.51
-
De op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van deze wet aanhangige aanvragen tot en verzoeken om het nemen van besluiten op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet en bezwaren tegen besluiten op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet worden, met uitzondering van de besluiten en bezwaren tegen besluiten, bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, geacht met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanvragen, verzoeken en bezwaren te zijn op grond van deze wet.
-
Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet worden afgehandeld overeenkomstig de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, zoals deze wetten luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 5.4.
Artikel 7.52
-
De artikelen 4, 5, 6, eerste en tweede lid, en 9 van het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen, zoals die luidden onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.46, blijven na inwerkingtreding van artikel 2.46 van toepassing, totdat de bij ministeriële regeling te stellen regels, bedoeld in dat artikel, zijn vastgesteld en in werking getreden.
-
De door de Autoriteit Consument en Markt op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 5, van de Elektriciteitswet 1998 vastgestelde voorwaarden ten aanzien van het meten van gegevens, zoals die luidden onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 2.46, 2.48, 2.61, 3.52, 3.55, 3.56, 3.57, 3.58, 3.60, 4.2, 4.5 tot en met 4.7 en 4.13, blijven na inwerkingtreding van die artikelen van toepassing, totdat de bij ministeriële regeling te stellen regels, bedoeld in die artikelen, zijn vastgesteld en in werking getreden.
-
De door de Autoriteit Consument en Markt op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 2.2, van de Gaswet vastgestelde voorwaarden ten aanzien van het meten van gegevens, zoals die luidden onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 2.46, 2.48, 2.55, 3.52, 3.55, 3.56 tot en met 3.58, 3.60, 4.2, 4.5 tot en met 4.7 en 4.13, blijven na inwerkingtreding van die artikelen van toepassing, totdat de bij ministeriële regeling te stellen regels, bedoeld in die artikelen, zijn vastgesteld en in werking getreden.
-
Voor zover de in het tweede en derde lid bedoelde voorwaarden betrekking hebben op de uitwisseling van gegevens, blijven deze voorwaarden na inwerkingtreding van hoofdstuk 4 van toepassing, totdat de bij ministeriële regeling te stellen regels, bedoeld in hoofdstuk 4, zijn vastgesteld en in werking getreden.
-
Voor zover een voorwaarde strijdig is met het bij of krachtens deze wet bepaalde, gaat de voorwaarde voor.
-
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, en kunnen voorwaarden worden uitgezonderd van deze toepassing.
Artikel 7.53
-
Artikel 13 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie, zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.9, blijft na inwerkingtreding van artikel 4.9 van toepassing, totdat de bij ministeriële regeling te stellen regels, bedoeld in artikel 4.9, derde lid, zijn vastgesteld en in werking getreden.
-
De door de Autoriteit Consument en Markt op grond van hoofdstuk 4 van de Elektriciteitswet 1998 en hoofdstuk 3 van de Gaswet vastgestelde voorwaarden, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 4, blijven na inwerkingtreding van hoofdstuk 4 van toepassing, totdat de bij ministeriële regeling te stellen regels, bedoeld in die artikelen, zijn vastgesteld en in werking getreden.
-
Voor zover de in het tweede lid bedoelde voorwaarden betrekking hebben op het meten van gegevens, blijven deze voorwaarden na inwerkingtreding van de artikelen 2.48, 2.54, 2.55, 3.57 tot en met 3.60 van toepassing, totdat de bij ministeriële regeling te stellen regels, bedoeld in die artikelen, zijn vastgesteld en in werking getreden.
-
Voor zover een voorwaarde strijdig is met het bij of krachtens deze wet bepaalde, gaat de voorwaarde voor.
-
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing, bedoeld in het tweede en derde lid, en kunnen voorwaarden worden uitgezonderd van deze toepassing.