1. Iedere wijziging van zeggenschap als bedoeld in artikel 26 van de Mededingingswet over een LNG-systeem of in een onderneming die eigenaar is van een LNG-systeem wordt voorafgaand aan de wijziging door één van de bij de wijziging betrokken partijen binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn gemeld aan Onze Minister.

  2. Iedere wijziging van zeggenschap als bedoeld in artikel 26 van de Mededingingswet in een productie-installatie met een nominaal elektrisch vermogen van in totaal meer dan 100 MW of in een onderneming die een of meer productie-installaties met een nominaal elektrisch vermogen van in totaal meer dan 100 MW beheert, wordt voorafgaand aan de wijziging door één van de bij deze wijziging betrokken partijen binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn gemeld aan Onze Minister.

  3. Onze Minister kan binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn op grond van overwegingen van openbare veiligheid, de leveringszekerheid of de voorzieningszekerheid de wijziging, bedoeld in het eerste lid, verbieden of opdragen maatregelen te treffen. De artikelen 19 en 20 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. Onze Minister kan aan het verbod of de opdracht op grond van het derde lid beperkingen of voorschriften verbinden. Het is verboden in strijd te handelen met een voorschrift of beperking.

  5. De LNG-beheerder of producent neemt het verbod in acht of volgt de opdracht op.

  6. Rechtshandelingen die strekken tot een wijziging van zeggenschap als bedoeld in het eerste of tweede lid, die niet overeenkomstig die leden zijn gemeld, of die in strijd zijn met het verbod of de opdracht, bedoeld in het derde lid, zijn door een rechterlijke uitspraak vernietigbaar.

  7. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de melding, bedoeld in het eerste en tweede lid.