Energiewet Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 12-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Energiemarkten
Afdeling 2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 2.2 Leveren, faciliteren in peer-to peer-handel en energie delen
Paragraaf 2.2.1 Algemene voorschriften over contractuele verhouding tussen eindafnemers en leveranciers
Paragraaf 2.2.2 Aanvullende voorschriften over contractuele verhouding tussen huishoudelijk eindafnemers of micro-ondernemingen en leveranciers
Paragraaf 2.2.3 Voorschriften beëindigen van leveringsovereenkomsten en leveringsovereenkomsten inzake peer-to-peer-handel
Paragraaf 2.2.4 Vergunning leveranciers voor levering aan of facilitering in peer-to-peer-handel ten behoeve van eindafnemers met een kleine aansluiting
Paragraaf 2.2.5 Leveranciersmodel
Paragraaf 2.2.6 Energie delen
Paragraaf 2.2.7 Overige bepalingen
Afdeling 2.3 Terugleveren, faciliteren in peer-to-peer-handel en vraagrespons ten behoeve van actieve afnemers
Afdeling 2.4 Balanceren
Afdeling 2.5 Meten
Afdeling 2.6 Overige bepalingen
Hoofdstuk 3 Beheer van elektriciteits- en gassystemen
Afdeling 3.1 Aanwijzen, certificeren en erkennen van systeembeheerders
Afdeling 3.2 Inrichting en voorwaarden transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders
Afdeling 3.3 Taken transmissiesysteembeheerder en distributiesysteembeheerder
Afdeling 3.4 Verplichtingen transmissiesysteembeheerder en distributiesysteembeheerder bij taakuitoefening
Afdeling 3.5 Beheerders van bijzondere systemen
Afdeling 3.6 Tarieven, methoden en voorwaarden en overige verplichtingen ten aanzien van overeenkomsten met aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers, of balanceringsverantwoordelijken
Paragraaf 3.6.1 Tarieven algemeen
Paragraaf 3.6.2 Tariefreguleringsmethode vooraf vastgestelde tarieven
Paragraaf 3.6.3 Berekeningsmethoden overige tarieven
Paragraaf 3.6.4 Tarieven beheerders bijzondere systemen
Paragraaf 3.6.5 Overige methoden en voorwaarden
Paragraaf 3.6.6 Overige verplichtingen t.a.v. overeenkomsten met aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken
Afdeling 3.7 Ontheffingen nieuwe systemen
Hoofdstuk 4 Beheren en uitwisselen van gegevens
Hoofdstuk 5 Uitvoering, toezicht en handhaving
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 3

Beheer van elektriciteits- en gassystemen

Artikel 3.1

  1. Een onderneming die eigenaar is van of die alle aandelen heeft in de rechtspersoon die eigenaar is van een transmissiesysteem, distributiesysteem of interconnectorsysteem draagt er zorg voor:

    1. dat de beheerder van het systeem krachtens artikel 3.4 is gecertificeerd of, indien het systeem voldoet aan de kenmerken gesteld bij of krachtens artikel 3.7, dat het systeem krachtens artikel 3.7 als gesloten systeem is erkend; en

    2. dat krachtens artikel 3.2 of 3.6 een beheerder voor zijn systeem is aangewezen.

  2. Een onderneming die eigenaar is van een LNG-systeem of een gasopslagsysteem draagt er zorg voor dat krachtens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel h respectievelijk i, een beheerder is aangewezen.

  3. Een onderneming die eigenaar is van een systeem waarvoor geen beheerder is aangewezen, handelt als beheerder van zijn systeem. De wettelijke taken en verplichtingen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2

  1. Onze Minister kan op aanvraag een rechtspersoon die eigenaar is van of die alle aandelen heeft in de rechtspersoon die eigenaar is van een:

    1. transmissiesysteem voor elektriciteit, aanwijzen als beheerder van dat transmissiesysteem;

    2. interconnectorsysteem voor elektriciteit aanwijzen als beheerder van dat interconnectorsysteem;

    3. transmissiesysteem voor gas, aanwijzen als beheerder van dat transmissiesysteem;

    4. interconnectorsysteem voor gas aanwijzen als beheerder van dat interconnectorsysteem;

    5. distributiesysteem voor elektriciteit, aanwijzen als beheerder van dat distributiesysteem;

    6. distributiesysteem voor gas, aanwijzen als beheerder van dat distributiesysteem;

    7. transmissiesysteem voor elektriciteit op zee, aanwijzen als beheerder van dat transmissiesysteem, mits die rechtspersoon onderdeel uitmaakt van de infrastructuurgroep waartoe de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit behoort;

    8. LNG-systeem, aanwijzen als beheerder van dat systeem;

    9. gasopslagsysteem, aanwijzen als beheerder van dat systeem.

  2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bij overdracht van de eigendom van een systeem indien de aanwijzing vervalt, op aanvraag van de rechtspersoon die eigenaar wordt van of die alle aandelen krijgt in de rechtspersoon die eigenaar wordt van dat systeem, die rechtspersoon aanwijzen als beheerder van het betreffende systeem. De aanwijzing treedt in werking op de dag waarop overdracht van de eigendom van het systeem plaatsvindt.

Artikel 3.3

  1. Onze Minister wijst een aanvraag van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, de onderdelen a tot en met g, af als die rechtspersoon niet krachtens artikel 3.4 is gecertificeerd.

  2. Onze Minister kan een aanvraag van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdelen a, c, e of f, afwijzen of voorschriften verbinden aan de aanwijzing indien:

    1. de rechtspersoon niet voldoet aan de bij of krachtens paragraaf 3.2.1 gestelde voorschriften inzake inrichting van de rechtspersoon of de infrastructuurgroep waartoe die rechtspersoon behoort niet voldoet aan de bij of krachtens paragraaf 3.2.2 gestelde voorschriften inzake de infrastructuurgroep en de infrastructuurbedrijven; of

    2. de rechtspersoon redelijkerwijs niet in staat moet worden geacht de taken of verplichtingen gesteld bij of krachtens de afdelingen 3.3 en 3.4 uit te voeren.

  3. Onze Minister kan een aanvraag van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel b of d, afwijzen of voorschriften verbinden aan de aanwijzing indien:

    1. de rechtspersoon niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.90 geldende bepalingen inzake de inrichting van de rechtspersoon; of

    2. de rechtspersoon redelijkerwijs niet in staat moet worden geacht de taken of verplichtingen gesteld bij of krachtens paragraaf 3.5.2 uit te voeren.

  4. Onze Minister kan een aanvraag van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel g, afwijzen of voorschriften verbinden aan de aanwijzing indien:

    1. de rechtspersoon niet voldoet aan de krachtens artikel 3.85 geldende bepalingen inzake inrichting van de rechtspersoon of de infrastructuurgroep waartoe de rechtspersoon behoort niet voldoet aan de krachtens dat artikel geldende bepalingen inzake de infrastructuurgroep; of

    2. de rechtspersoon redelijkerwijs niet in staat moet worden geacht de taken of verplichtingen gesteld bij of krachtens paragraaf 3.5.1 uit te voeren.

  5. Onze Minister kan een aanvraag van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel h, afwijzen of voorschriften verbinden aan de aanwijzing indien de rechtspersoon redelijkerwijs niet in staat moet worden geacht de taken of verplichtingen gesteld bij of krachtens paragraaf 3.5.3 uit te voeren.

  6. Onze Minister kan een aanvraag van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel i, afwijzen of voorschriften verbinden aan de aanwijzing indien de rechtspersoon redelijkerwijs niet in staat moet worden geacht de taken of verplichtingen gesteld bij of krachtens paragraaf 3.5.4 uit te voeren.

  7. Als Onze Minister krachtens het tweede tot en met zesde lid, voorschriften verbindt aan de aanwijzing, strekken deze ertoe geconstateerde tekortkomingen, bedoeld in die leden, zo veel mogelijk weg te nemen.

Artikel 3.4

  1. De Autoriteit Consument en Markt certificeert op aanvraag een rechtspersoon die eigenaar is van of die alle aandelen heeft in de rechtspersoon die eigenaar is van een transmissie- of distributiesysteem of interconnectorsysteem indien ten aanzien van die rechtspersoon is voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 3.10 respectievelijk artikel 3.90, eerste lid, ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 3.10.

  2. Als een persoon of rechtspersoon uit een land buiten de Europese Unie zeggenschap heeft over een eigenaar van een transmissiesysteem of een interconnectorsysteem of een beheerder van een transmissiesysteem of een interconnectorsysteem, besluit de Autoriteit Consument en Markt volgens de procedure van:

    1. artikel 53 van richtlijn 2019/944 of is voldaan aan de eisen van het derde lid van dat artikel, als het een transmissiesysteem of een interconnectorsysteem of een beheerder van een transmissiesysteem of een interconnectorsysteem voor elektriciteit betreft; of

    2. artikel 11 van richtlijn 2009/73 of is voldaan aan de eisen van het derde lid van dat artikel, als het een transmissiesysteem of een interconnectorsysteem of een beheerder van een transmissiesysteem of een interconnectorsysteem voor gas betreft.

  3. In afwijking van het eerste lid kan de Autoriteit Consument en Markt bij overdracht van de eigendom van een systeem indien de aanwijzing vervalt, op aanvraag de rechtspersoon certificeren die eigenaar wordt van of die alle aandelen krijgt in de rechtspersoon die eigenaar wordt van dat systeem indien ten aanzien van deze rechtspersoon, na verkrijging van de eigendom van het systeem, is voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 3.10 of artikel 3.90, eerste lid, ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 3.10.

  4. Een systeembeheerder stelt de Autoriteit Consument en Markt in kennis van elke voorgenomen transactie die relevant is voor de beoordeling of nog wordt voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 3.10 of artikel 3.90, eerste lid, ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 3.10.

Artikel 3.5

  1. De Autoriteit Consument en Markt kan een certificering als bedoeld in artikel 3.4, eerste of derde lid, intrekken als niet langer aan de eisen, gesteld bij of krachtens artikel 3.10 of artikel 3.90, eerste lid, ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 3.10 wordt voldaan.

  2. De Autoriteit Consument en Markt stelt een onderzoek in naar de naleving van de eisen gesteld bij of krachtens artikel 3.10 of artikel 3.90, eerste lid, ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 3.10:

    1. naar aanleiding va n een melding als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid;

    2. op eigen initiatief wanneer ze kennis heeft van gewijzigde omstandigheden die kunnen leiden tot een inbreuk op de eisen gesteld bij of krachtens artikel 3.10 of artikel 3.90, eerste lid, ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 3.10; of

    3. op verzoek van de Europese Commissie.

Artikel 3.6

De Autoriteit Consument en Markt wijst op aanvraag:

  1. van de eigenaar van een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit dat krachtens artikel 3.7 is erkend als gesloten systeem een door de eigenaar voorgedragen beheerder aan;

  2. van de eigenaar van een distributiesysteem voor gas dat krachtens artikel 3.7 is erkend als gesloten systeem een door de eigenaar voorgedragen beheerder aan.

Artikel 3.7

  1. De Autoriteit Consument en Markt erkent op aanvraag van de eigenaar van een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit, of een distributiesysteem voor gas dat systeem als een gesloten systeem indien:

    1. er niet op grond van artikel 3.2, eerste lid, al een beheerder is aangewezen voor het systeem;

    2. de aanvrager geen onderdeel uitmaakt van een infrastructuurgroep;

    3. het bedrijfs- of productieproces van aangeslotenen op het systeem om specifieke technische of veiligheidsredenen geïntegreerd is met het systeem of het systeem primair elektriciteit of gas distribueert aan de eigenaar van het systeem of daarmee verwante ondernemingen;

    4. het systeem binnen een geografisch afgebakende industriële locatie, commerciële locatie of locatie met gedeelde diensten ligt en dat systeem technische, organisatorische of functionele bindingen heeft;

    5. op het systeem minder dan 1.000 aangeslotenen zijn;

    6. het systeem geen huishoudelijk eindafnemers voorziet, tenzij er sprake is van incidenteel gebruik door een klein aantal huishoudelijk eindafnemers dat werkzaam is bij of vergelijkbare betrekkingen heeft met de eigenaar van het gesloten systeem;

    7. de veiligheid en betrouwbaarheid van het systeem naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt voldoende is gewaarborgd; en

    8. indien het en transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit betreft, het spanningsniveau van dit systeem ten hoogste 220 kilovolt bedraagt, met uitzondering van leidingen of hulpmiddelen ten behoeve van de omzetting van het spanningsniveau van elektriciteit direct achter de aansluiting van het systeem op een transmissiesysteem voor elektriciteit.

  2. De Autoriteit Consument en Markt erkent op aanvraag een systeem dat zal worden aangelegd als een gesloten systeem, indien aan de aanvrager voor de aanleg van dat systeem de daarvoor benodigde vergunningen, ontheffingen en toestemmingen zijn verstrekt en is voldaan aan het eerste lid.

Artikel 3.8

  1. In geval van fusie, splitsing, ontbinding of faillissement van de rechtspersoon die als transmissie- of distributiesysteembeheerder of interconnectorsysteembeheerder is aangewezen, vervalt de aanwijzing als systeembeheerder van rechtswege.

  2. Het bestuursorgaan dat een aanwijzing of erkenning heeft verleend, is eveneens bevoegd deze in te trekken.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

    1. het intrekken van een aanwijzing, certificering of erkenning;

    2. de overdracht van de eigendom van een systeem voor gevallen waarin een aanwijzing, certificering of erkenning vervalt, wordt ingetrokken of niet kan worden verleend.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

    1. de eisen waaraan een aanvraag tot aanwijzing, certificering of erkenning moet voldoen en de informatie die bij een aanvraag moet worden verstrekt;

    2. de voorschriften of beperkingen die aan een aanwijzing, certificering of erkenning kunnen worden verbonden;

    3. de voorwaarden waaronder een aanwijzing, certificering of erkenning kan worden gewijzigd;

    4. de procedure voor het behandelen en de termijnen voor beslissen op een verzoek;

    5. de informatie die bij een certificeringsonderzoek, bedoeld in het tweede lid, moet worden verstrekt en de procedure die bij dat onderzoek wordt gevolgd.

Artikel 3.9

  1. Als directe lijn wordt aangemerkt één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van het transport van elektriciteit of gas:

    1. die niet verbonden is met een systeem van elektriciteit of gas of met een andere leiding voor het transport en die een geïsoleerde productie-installatie van een producent rechtstreeks verbindt met een geïsoleerde eindafnemer; of

    2. die ten hoogste via de installatie van één aangeslotene op de leidingen is verbonden met een systeem van elektriciteit of gas of met een andere leiding voor het transport en die een productie-installatie voor elektriciteit of gas, met tussenkomst van een leverancier, rechtstreeks verbindt met één of meer eindafnemers, waarbij dit voor een huishoudelijk eindafnemer enkel is toegestaan indien deze werkzaam is bij of vergelijkbare betrekkingen heeft met de eigenaar van de directe lijn.

  2. Een eigenaar van een directe lijn meldt:

    1. de directe lijn zo spoedig mogelijk na ingebruikname aan de Autoriteit Consument en Markt;

    2. een significante wijziging ten opzichte van een eerdere melding zo spoedig mogelijk na doorvoering van de betreffende wijziging aan de Autoriteit Consument en Markt.

  3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van de meldingen.

Artikel 3.10

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder maakt geen deel uit van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe ook een rechtspersoon of vennootschap behoort die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt; onverminderd artikel 3.19, tweede lid, onderdeel d.

  2. Rechtspersonen en vennootschappen die deel uitmaken van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe ook een rechtspersoon of vennootschap behoort die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt, houden geen aandelen in een transmissie- of distributiesysteembeheerder of in een rechtspersoon die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een transmissie- of distributiesysteembeheerder behoort en nemen niet deel in een vennootschap die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een transmissie- of distributiesysteembeheerder behoort. Dit verbod is niet van toepassing op het houden van aandelen in, of deel nemen aan een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet collectieve warmte, die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een transmissie- of distributiebeheerder hoort, of een rechtspersoon of vennootschap die werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.13, vijfde lid, van de Wet collectieve warmte voor het aangewezen warmtebedrijf uitvoert en die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een ook een transmissie- of distributiebeheerder hoort.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of een met die beheerder verbonden groepsmaatschappij als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek:

    1. houdt geen aandelen in een rechtspersoon die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt of in een rechtspersoon die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een rechtspersoon behoort die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt;

    2. neemt niet deel in een vennootschap die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt of in een vennootschap die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een rechtspersoon of vennootschap behoort die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt.

    Dit verbod is niet van toepassing op een verbonden groepsmaatschappij die aandelen houdt in, of deelneemt aan een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet collectieve warmte of een rechtspersoon of vennootschap die werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.13, vijfde lid, van de Wet collectieve warmte voor het aangewezen warmtebedrijf uitvoert.

  4. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder is zodanig ingericht dat:

    1. een natuurlijk persoon of rechtspersoon die directe of indirecte zeggenschap uitoefent over een rechtspersoon of vennootschap die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt, niet gelijktijdig directe of indirecte zeggenschap of enig recht uitoefent over een transmissiesysteembeheerder, distributiesysteembeheerder of diens systemen; en

    2. een natuurlijk persoon of rechtspersoon die directe of indirecte zeggenschap uitoefent over een transmissiesysteembeheerder, een distributiesysteembeheerder of diens systemen, niet gelijktijdig directe of indirecte zeggenschap of enig recht uitoefent over een rechtspersoon of vennootschap die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt.

  5. Onder enig recht als bedoeld in het vierde lid wordt in ieder geval verstaan het recht om stemrechten uit te oefenen, de bevoegdheid om leden aan te wijzen van de raad van bestuur of de raad van toezicht of een rechtspersoon die het bedrijf juridisch vertegenwoordigt of het hebben van een meerderheidsaandeel.

  6. Voor de toepassing van het derde lid worden twee afzonderlijke overheidsorganen die direct of indirect zeggenschap uitoefenen over, enerzijds, een transmissiesysteembeheerder of een transmissiesysteem en, anderzijds, over een rechtspersoon of vennootschap die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt, niet als dezelfde persoon of dezelfde personen beschouwd.

  7. Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder produceren van elektriciteit niet verstaan het door een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit opwekken en vervolgens gebruiken van die elektriciteit bij:

    1. de uitvoering van een niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst met een volledig geïntegreerd netwerkcomponent, bedoeld in artikel 3.28, tweede lid;

    2. het voorzien in een niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst indien hiervoor aan hem een ontheffing als bedoeld in artikel 3.28, derde lid, is verleend;

    3. het voorzien in congestiebeheers- of systeembeheersdiensten indien hiervoor aan hem een ontheffing als bedoeld in artikel 3.29, tweede lid is verleend;

    4. het weer omzetten van opgeslagen energie in elektrische energie met behulp van een elektriciteitsopslagfaciliteit die op grond van artikel 3.32, eerste lid, door de Autoriteit Consument en Markt is erkend als volledig geïntegreerde netwerkcomponent of waarvoor de Autoriteit Consument en Markt een ontheffing als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, heeft verleend.

  8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter implementatie van artikel 43 van richtlijn 2019/944 en artikel 9 van richtlijn 2009/73.

Artikel 3.11

  1. De artikelen 155a, 158 tot en met 161a en 164 dan wel 265a, 268 tot en met 271a en 274 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op een transmissiesysteembeheerder en haar statuten worden dienovereenkomstig ingericht.

  2. Als een transmissiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is in de zin van artikel 152 of artikel 262 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is het eerste lid niet van toepassing.

  3. In het in het tweede lid bedoelde geval:

    1. voldoet een rechtspersoon waarvan de transmissiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is aan de in het eerste en tweede lid genoemde eisen; en

    2. beschikt de raad van commissarissen van de rechtspersoon waarvan de transmissiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is over de bevoegdheden tot goedkeuring van de besluiten van het bestuur van de transmissiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 274, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 3.12

  1. De statuten van een distributiesysteembeheerder bevatten in elk geval:

    1. de instelling van een raad van commissarissen;

    2. de bepaling dat de aandeelhouders het kader vaststellen voor het bezoldigingsbeleid van de bestuurders;

    3. in afwijking van artikel 129, derde lid, of artikel 239, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de bepaling dat aan de goedkeuring van de raad van commissarissen ten minste zijn onderworpen de besluiten van het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 274, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; en

    4. de bepaling dat het reserveren en uitkeren van de jaarlijkse winst geschiedt met de instemming van de aandeelhouders en met inachtneming van de uitvoering van de aan de distributiesysteembeheerder opgedragen taak, bedoeld in artikel 3.25, eerste lid.

  2. Als een distributiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is als bedoeld in artikel 152 of 262 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, behoeven de statuten van die distributiesysteembeheerder, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, niet te voorzien in de instelling van een raad van commissarissen.

  3. In het in het tweede lid bedoelde geval:

    1. voldoet een rechtspersoon waarvan de distributiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is aan de in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, genoemde eisen; en

    2. beschikt de raad van commissarissen van de distributiesysteembeheerder, bedoeld in onderdeel a, waarvan de distributiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is over de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ten aanzien van het bestuur van de distributiesysteembeheerder.

Artikel 3.13

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt het door hem beheerde systeem of een deel daarvan niet beschikbaar als zekerheid voor het aantrekken van financiële middelen anders dan voor hemzelf.

Artikel 3.14

  1. De aandelen in een transmissiesysteembeheerder berusten direct of indirect bij de Staat der Nederlanden.

  2. De aandelen in een distributiesysteembeheerder berusten direct of indirect bij één of meer openbare lichamen.

  3. Onder indirect berusten van aandelen wordt verstaan dat de aandelen in een transmissiesysteembeheerder of distributiesysteembeheerder berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden respectievelijk een openbaar lichaam of bij een rechtspersoon die een volledige dochtermaatschappij is van één of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door de staat respectievelijk één of meer openbare lichamen.

  4. Onverminderd artikel 3.13, berust de onbezwaarde eigendom van een transmissiesysteem direct of indirect bij de transmissiesysteembeheerder.

  5. Onverminderd artikel 3.13, berust de onbezwaarde eigendom van een distributiesysteem direct of indirect bij de distributiesysteembeheerder.

  6. Onder indirect berusten van eigendom van een systeem wordt verstaan dat de eigendom van een transmissie- of distributiesysteem berust bij een rechtspersoon waarvan alle aandelen worden gehouden door de transmissie- of distributiesysteembeheerder.

  7. Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien voor een transmissie- of distributiesysteem een beheerder van een gesloten systeem is aangewezen.

Artikel 3.15

  1. In afwijking van artikel 3.14, eerste lid, kunnen aandelen in een transmissiesysteembeheerder direct of indirect berusten bij een buitenlandse instelling die op grond van nationale wettelijke regels is belast met het beheer van een transmissiesysteem als bedoeld in artikel 2, onderdeel 35, van richtlijn 2019/944, of in artikel 2, onderdeel 4, van richtlijn 2009/73 of bij de middellijk of onmiddellijk aandeelhouder van die buitenlandse instelling, indien:

    1. ten minste 75 procent van de aandelen in de transmissiesysteembeheerder en de overwegende zeggenschap over de transmissiesysteembeheerder direct of indirect bij de staat blijft;

    2. de samenwerking tussen de transmissiesysteembeheerder en een buitenlandse instelling wordt bevorderd;

    3. er sprake is van een aandelenruil die de betrouwbaarheid, betaalbaarheid of duurzaamheid van het systeem ten goede komt; en

    4. de aandelen in de transmissiesysteembeheerder of de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waar die transmissiesysteembeheerder deel van uitmaakt, komen te berusten bij een instelling die de beheerder is van een systeem dat een directe verbinding heeft met het transmissiesysteem in Nederland of dat door middel van een interconnectorsysteem met een transmissiesysteem in Nederland is verbonden.

  2. Het voornemen de aandelen in de transmissiesysteembeheerder direct of indirect te laten berusten bij een buitenlandse instelling of bij de middellijk of onmiddellijk aandeelhouder van die buitenlandse instelling behoeft instemming van beide kamers der Staten-Generaal.

  3. Onze Minister van Financiën treedt niet eerder in onderhandeling dan dertig dagen nadat hij schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de Staten-Generaal van het voornemen, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.16

  1. Indien een transmissiesysteembeheerder voor gas deelneemt aan een gemeenschappelijke onderneming waaraan ook een verticaal geïntegreerde buitenlandse transmissiesysteembeheerder deelneemt, draagt de transmissiesysteembeheerder voor gas er zorg voor dat de gemeenschappelijke onderneming een nalevingsprogramma, met maatregelen die waarborgen dat discriminerend en concurrentieverstorend gedrag uitgesloten is, opstelt en implementeert in de gemeenschappelijke onderneming.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inhoud van het nalevingsprogramma en de procedure van de totstandkoming van het nalevingsprogramma.

Artikel 3.17

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder verricht geen andere werkzaamheden dan die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen of van taken die Onze Minister aan hem heeft gemandateerd.

  2. In afwijking van het eerste lid mag een transmissie- of distributiesysteembeheerder:

    1. in opdracht van een andere systeembeheerder werkzaamheden uitvoeren ter uitvoering van de wettelijke taken of verplichtingen van die systeembeheerder; of

    2. indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke taken of verplichtingen en indien dit een efficiënter beheer van de ondergrondse infrastructuur en vermindering van overlast voor de omgeving oplevert, samenwerken met rechtspersonen die werkzaamheden uitvoeren in de ondergrondse infrastructuur.

  3. Ingeval van uitbesteding van werkzaamheden behoudt de transmissie- of distributiesysteembeheerder de verantwoordelijkheid voor de onafhankelijke, volledige en juiste uitvoering van deze werkzaamheden.

Artikel 3.18

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

    1. kunnen in het kader van het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van een veilig en betrouwbaar systeem, ter verzekering van de geheimhouding van gegevens, hulpmiddelen of materialen van beheerders van systemen of door beheerders van systemen met behulp van die gegevens, hulpmiddelen of materialen ingerichte werkmethoden of processen, worden aangewezen als essentieel in het kader van de bescherming van vitale processen voor de nationale veiligheid;

    2. kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omgang met gegevens, hulpmiddelen, materialen, processen of werkmethoden die krachtens onderdeel a zijn aangewezen;

    3. kunnen ter bescherming van de in onderdeel a beschreven belangen regels worden gesteld aan de betrouwbaarheid van toeleveranciers of de door hen te leveren goederen of diensten;

    4. kunnen ter bescherming van de in onderdeel a beschreven belangen regels worden gesteld aan het selectieproces van medewerkers die kennis hebben of krijgen van de krachtens onderdeel a aangewezen gegevens, hulpmiddelen, materialen, processen of werkmethoden.

  2. Het controlecentrum van een transmissiesysteembeheerder van waaruit de aansturing van de uitvoering van de wettelijke taken of verplichtingen plaatsvindt, is gevestigd in Nederland.

Artikel 3.19

  1. Een infrastructuurgroep verricht in hoofdzaak handelingen of activiteiten ter uitvoering van de taken of verplichtingen die zijn opgedragen aan de transmissie- of distributiesysteembeheerder die deel uitmaakt van die groep.

  2. Een infrastructuurbedrijf beperkt zich in Nederland tot:

    1. ten aanzien van elektriciteit of gas handelingen of activiteiten die zijn gerelateerd aan het beheer van transmissie- of distributiesystemen en betrekking hebben op:

      1. het aanleggen, onderhouden en beheren van leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen;

      2. het in opdracht van een derde aanleggen, onderhouden en ter beschikking stellen van installaties of onderdelen van installaties;

      3. het schakelen van installaties, niet zijnde productie- of opslaginstallaties;

      4. het aanleggen, onderhouden en ter beschikking stellen van meetinrichtingen en het leveren van meetdiensten;

      5. elektriciteits- of gasbeurzen;

    2. ten aanzien van waterstofgas, gas uit hernieuwbare bronnen, of andere gasvormige stoffen uit hernieuwbare bron dan gas, handelingen of activiteiten die betrekking hebben op:

      1. het aanleggen, onderhouden en beheren van leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van transport van waterstofgas, gas uit hernieuwbare bronnen en andere gasvormige stoffen uit hernieuwbare bron dan gas, het transport daarvan via die infrastructuur;

      2. het in opdracht van een derde aanleggen, onderhouden en ter beschikking stellen van installaties of onderdelen van installaties;

      3. het aanleggen, onderhouden en ter beschikking stellen van meetinrichtingen en het leveren van meetdiensten voor waterstofgas of andere gasvormige stoffen uit hernieuwbare bron dan gas;

      4. waterstofbeurzen;

    3. ten aanzien van warmte, koude, koolstofdioxide of stoom of condensaat, handelingen of activiteiten die betrekking hebben op:

      1. het aanleggen, onderhouden en beheren van leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van transport van warmte, koude, koolstofdioxide of stoom of condensaat en het transport daarvan via die infrastructuur;

      2. het aanleggen, onderhouden en ter beschikking stellen van meetinrichtingen en het leveren van meetdiensten voor warmte, koude, koolstofdioxide of stoom of condensaat;

    4. handelingen of activiteiten die bij of krachtens de Wet collectieve warmte zijn toegestaan aan een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1 van die wet bij de uitoefening van zijn bedrijf of die voortvloeien uit werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.13, vijfde lid, van de Wet collectieve warmte die worden verricht voor het aangewezen warmtebedrijf, met uitzondering van de levering of handel van elektriciteit, gas of waterstofgas, alsmede de productie van elektriciteit, gas of waterstofgas, anders dan voor zelfgebruik of het veiligstellen van de leveringszekerheid, en onder de voorwaarde dat het aangewezen warmtebedrijf en het infrastructuurbedrijf dat werkzaamheden verricht voor het aangewezen warmtebedrijf geen nevenactiviteiten verrichten;

    5. ten aanzien van drinkwater, handelingen en activiteiten die betrekking hebben op het aanleggen, onderhouden en beheren van drinkwaterinfrastructuur, met inachtneming van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Drinkwaterwet en uitsluitend in overeenstemming met en onder verantwoordelijkheid van een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet;

    6. handelingen of activiteiten die betrekking hebben op het aanleggen, onderhouden en beheren van infrastructuur ten behoeve van telecommunicatie en het transport van data via die infrastructuur.

  3. Een infrastructuurbedrijf dat deel uitmaakt van een infrastructuurgroep waarvan een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit deel uitmaakt, mag handelingen en activiteiten verrichten met betrekking tot:

    1. het aanleggen, onderhouden en beheren van interconnectorsystemen en het transport via die interconnectorsystemen;

    2. garanties van oorsprong.

  4. Een infrastructuurbedrijf dat deel uitmaakt van een infrastructuurgroep waarvan een transmissiesysteembeheerder voor gas deel uitmaakt, mag handelingen en activiteiten verrichten met betrekking tot:

    1. het aanleggen, onderhouden en beheren van interconnectorsystemen en het transport via die interconnectorsystemen;

    2. het aanleggen, onderhouden, beheren en exploiteren van LNG- en gasopslagsystemen;

    3. garanties van oorsprong;

    4. het, in aanvulling op het tweede lid, onderdeel c, deelnemen aan het aanleggen, onderhouden, beheren en exploiteren van een geïntegreerde infrastructuur en faciliteiten voor transport en permanente opslag van koolstofdioxide dat door één juridische entiteit wordt aangestuurd;

    5. het aanleggen, onderhouden, beheren en exploiteren van waterstofopslagfaciliteiten, waterstofterminals en andere infrastructuur voor de invoer, uitvoer, doorvoer, omzetting of overslag van waterstofgas of waterstofdragers;

    6. het, in aanvulling op het tweede lid, onderdeel c, aanleggen, onderhouden, beheren en exploiteren van een CO2-terminal.

  5. Een infrastructuurbedrijf dat deel uitmaakt van een infrastructuurgroep waarvan een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit deel uitmaakt, mag handelingen en activiteiten verrichten met betrekking tot het aanleggen en beheren van antenne-opstelpunten ten behoeve van ethercommunicatie.

  6. Indien een infrastructuurbedrijf een productie-installatie voor elektriciteit, gas, waterstofgas, gas uit hernieuwbare bronnen of andere gasvormige stoffen uit hernieuwbare bronnen dan gas, of een elektriciteitsopslagfaciliteit ter beschikking stelt aan een derde als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2o, of het tweede lid, onderdeel b, onder 1ao, dan meldt hij dit aan de Autoriteit Consument en Markt en verstrekt daarbij de voor die terbeschikkingstelling geldende afspraken.

  7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor de melding, bedoeld in het zesde lid, of de informatie die daarbij moet worden verstrekt.

Artikel 3.20

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere aan energie-infrastructuur gerelateerde handelingen of activiteiten worden toegestaan die een infrastructuurbedrijf voor een bij of krachtens deze maatregel vast te stellen periode van maximaal tien jaar kan verrichten, indien deze handelingen of activiteiten niet zijn gelegen op het gebied van productie, levering of handel van energiedragers.

  2. Indien handelingen of activiteiten op grond van het eerste lid worden aangewezen, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de voortzetting of beëindiging van die handelingen of activiteiten.

Artikel 3.21

  1. Een infrastructuurbedrijf houdt, buiten de aandelen in een transmissie- of distributiesysteembeheerder, geen aandelen in een rechtspersoon die in Nederland andere activiteiten verricht dan de handelingen of activiteiten die op grond van artikel 3.19 of krachtens artikel 3.20 zijn toegestaan.

  2. Een infrastructuurbedrijf neemt, buiten de deelname in een transmissie- of distributiesysteembeheerder, niet deel aan een vennootschap die in Nederland andere activiteiten verricht dan de handelingen of activiteiten die op grond van artikel 3.19 of krachtens artikel 3.20 zijn toegestaan.

  3. Indien een infrastructuurbedrijf aandelen houdt in, of deelneemt aan een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet collectieve warmte:

    1. bevatten de statuten van het warmtebedrijf de bepaling dat de leden van het bestuur en de meerderheid van de leden van de raad van commissarissen geen statutaire bestuurder zijn van de transmissie- of distributiesysteembeheerder binnen de infrastructuurgroep waar het infrastructuurbedrijf deel van uitmaakt;

    2. neemt het infrastructuurbedrijf bij zijn handelen als aandeelhouder of deelnemer een evenwichtige afweging tussen de belangen van het warmtebedrijf en van de infrastructuurgroep in acht;

    3. is in geval het warmtebedrijf zelf geen deel uitmaakt van de infrastructuurgroep, het bepaalde bij of krachtens artikel 3.22 van overeenkomstige toepassing;

    4. stelt de transmissie- of distributiesysteembeheerder binnen de infrastructuurgroep geen zekerheid ten behoeve van het warmtebedrijf, noch maakt het zich op andere wijze sterk of verbindt het zich hoofdelijk of anderszins naast of voor het warmtebedrijf.

  4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een infrastructuurbedrijf dat werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.13, vijfde lid, van de Wet collectieve warmte verricht voor een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet collectieve warmte.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het derde lid.

Artikel 3.22

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder bevoordeelt niet de infrastructuurbedrijven waarmee hij een infrastructuurgroep vormt boven andere ondernemingen en kent die bedrijven ook anderszins geen voordelen toe die verder gaan dan in het normale handelsverkeer gebruikelijk is.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen handelingen worden aangemerkt als handelingen die voordelen genereren die verder gaan dan in het normale handelsverkeer gebruikelijk is.

Artikel 3.23

  1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit die krachtens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 2019/943, of andere bindende EU-rechtshandelingen op het gebied van elektriciteit aan transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit zijn opgedragen.

  2. Een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit stelt op zijn systeem beschikbare zoneoverschrijdende capaciteit ter beschikking.

  3. De transmissiesysteembeheerder voor gas die krachtens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 715/2009, of andere bindende EU-rechtshandelingen op het gebied van gas, aan transmissiesysteembeheerders voor gas zijn opgedragen.

  4. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit die krachtens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel e, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 2019/943, of andere bindende EU-rechtshandelingen op het gebied van elektriciteit aan distributiesysteembeheerders voor elektriciteit zijn opgedragen.

  5. Een distributiesysteembeheerder voor gas die krachtens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel f, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 715/2009, of andere bindende EU-rechtshandelingen op het gebied van gas aan distributiesysteembeheerders voor gas zijn opgedragen.

  6. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen op het gebied van elektriciteit of gas, taken of verplichtingen aan een transmissie- of distributiesysteembeheerder worden opgedragen.

Artikel 3.24

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder handelt bij de uitoefening van zijn wettelijke taken of verplichtingen redelijk, transparant en niet discriminerend.

  2. Transmissie- en distributiesysteembeheerders werken bij de uitoefening van hun wettelijke taken of verplichtingen samen en verstrekken elkaar de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taken of verplichtingen of die nodig zijn ter waarborging en stimulering van een effectieve deelname van marktdeelnemers op de gas- en elektriciteitsmarkt.

  3. Een transmissiesysteembeheerder verstrekt buitenlandse transmissiesysteembeheerders de informatie die nodig is om de veiligheid, betrouwbaarheid en doelmatigheid, alsmede de samenhangende ontwikkeling en interoperabiliteit van de systemen te waarborgen.

  4. Bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen houdt de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit rekening met de door de regionale coördinatiecentra, bedoeld in artikel 2, onderdeel 63, van Verordening 2019/943, opgestelde aanbevelingen.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de samenwerking wordt vormgegeven en de informatie die partijen elkaar verstrekken.

Artikel 3.25

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder waarborgt dat zijn systeem op de korte en lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar transport van elektriciteit of gas en beheert, onderhoudt en ontwikkelt het systeem, onder economische voorwaarden, op zodanige wijze dat de veiligheid, betrouwbaarheid en doelmatigheid van dat systeem is gewaarborgd, en met inachtneming van de belangen van het milieu, digitalisering, energie-efficiëntie, de transitie naar een duurzaam energiesysteem en de werking van de Europese interne markt.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit neemt bij de ontwikkeling van het systeem in overweging of de inkoop van congestiebeheers- of systeembeheersdiensten verzwaring van het systeem kan voorkomen.

  3. Als een transmissie- of distributiesysteembeheerder op verzoek en ten behoeve van een partij, die niet handelt in de hoedanigheid van aangeslotene of netgebruiker, werkzaamheden uitvoert in het kader van het beheer, het onderhoud of de ontwikkeling van zijn systeem, kan hij de redelijke kosten daarvoor in rekening brengen bij de verzoeker.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de invulling van de taak, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het eerste tot en met derde lid.

Artikel 3.26

  1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit ontwerpt het transmissiesysteem voor elektriciteit zodanig en houdt het zodanig in werking dat het transport van elektriciteit ook verzekerd is als zich een uitvalsituatie voordoet, in vol bedrijf, en ten tijde van onderhoud, tenzij:

    1. het aansluitingen betreft;

    2. bij algemene maatregel van bestuur voor een bepaalde uitvalsituatie vrijstelling is verleend;

    3. voor een specifiek onderdeel van het systeem op aanvraag van de transmissiesysteembeheerder ontheffing is verleend door de Autoriteit Consument en Markt. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verlening, wijziging en intrekking van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 3.27

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit verplaatst op verzoek van een college van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten bovengrondse delen van systemen die bestemd zijn voor transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 50 kilovolt of hoger of vervangt deze door ondergrondse delen indien deze door Onze Minister zijn aangewezen.

  2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit onderzoekt op verzoek van een college van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten de technische haalbaarheid, de ruimtelijke aspecten en de investeringskosten van het verplaatsen of vervangen van een deel van het systeem dat op grond van het eerste lid is aangewezen.

  4. Onze Minister kan op aanvraag van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit ontheffing verlenen van de verplichting op grond van het eerste lid voor een in die ontheffing aangewezen deel van het systeem, indien het vervangen of verplaatsen van dat deel technisch of ruimtelijk niet haalbaar is of strijdig is met het belang van leveringszekerheid.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. de kenmerken van de systeemonderdelen die kunnen worden aangewezen;

    2. de voorwaarden voor vervanging of verplaatsing;

    3. de procedure voor de aanwijzing;

    4. het deel van de kosten die een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit maakt voor de uitvoering van een verzoek als bedoeld in het eerste en derde lid dat wordt betaald door de verzoeker en de bestanddelen waaruit die kosten bestaan;

    5. de volgorde waarin het verplaatsen of vervangen plaatsvindt;

    6. de procedure voor de aanvraag van een ontheffing als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3.28

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit koopt niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten in en doet dit volgens transparante, niet-discriminerende en marktgebaseerde procedures die deelname van alle in aanmerking komende marktdeelnemers faciliteren.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten die een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit zelf uitvoert met gebruikmaking van een volledig geïntegreerde netwerkcomponent.

  3. De Autoriteit Consument en Markt kan op verzoek van een distributie- of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit ten aanzien van een specifieke niet-frequentie-ondersteunende dienst een ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, als de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de marktgebaseerde inkoop van die dienst economisch niet efficiënt is.

  4. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een ontheffing.

Artikel 3.29

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit koopt congestiebeheers- of systeembeheersdiensten, niet zijnde redispatching als bedoeld in artikel 2, onderdeel 26, van verordening 2019/943, aan volgens transparante, niet-discriminerende en marktgebaseerde procedures die deelname van alle in aanmerking komende marktdeelnemers faciliteren.

  2. Ten aanzien van de aankoop van congestiebeheers- of systeembeheersdiensten kan de Autoriteit Consument en Markt een distributie- of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op verzoek een ontheffing verlenen van het eerste lid, als de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de marktgebaseerde inkoop economisch niet efficiënt is of dat een dergelijk aankoop zou leiden tot ernstige marktverstoringen of meer congestie.

  3. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid.

  4. Met het oog op de uitvoering van het eerste lid, worden in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, ten minste opgenomen de specificaties voor het inkopen van congestiebeheers- of systeembeheersdiensten en, indien van toepassing, gestandaardiseerde marktproducten voor deze diensten.

Artikel 3.30

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder treft doelmatige maatregelen om systeemverliezen te minimaliseren.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder koopt elektriciteit of gas ter dekking van zijn systeemverliezen in volgens transparante, niet-discriminerende en marktgebaseerde procedures die deelname van alle in aanmerking komende marktdeelnemers faciliteren.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder is verantwoordelijk voor de onbalans die het gevolg is van systeemverliezen binnen zijn systeem.

Artikel 3.31

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bezit, ontwikkelt, beheert of exploiteert geen elektriciteitsopslagfaciliteit, tenzij:

  1. het gaat om een deel van een transmissie- of distributiesysteem dat de Autoriteit Consument en Markt op verzoek van een transmissie- of distributiesysteembeheerder krachtens artikel 3.32 heeft erkend als volledig geïntegreerde netwerkcomponent; of

  2. de Autoriteit Consument en Markt op verzoek van een transmissie- of distributiesysteembeheerder krachtens artikel 3.33 ten aanzien van een specifieke elektriciteitsopslagfaciliteit een ontheffing heeft verleend.

Artikel 3.32

  1. De Autoriteit Consument en Markt erkent op aanvraag van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit een elektriciteitsopslagfaciliteit als volledig geïntegreerde netwerkcomponent als het voldoet aan de volgende voorwaarden:

    1. het voldoet aan de eigenschappen van een volledig geïntegreerde netwerkcomponent; en

    2. geschikt is voor het opslaan van elektriciteit;

  2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de aanvraag en de informatie die daarbij moet worden verstrekt.

Artikel 3.33

  1. De Autoriteit Consument en Markt kan op verzoek van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit ten aanzien van een specifieke elektriciteitsopslagfaciliteit een ontheffing verlenen als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    1. de transmissie- of distributiesysteembeheerder heeft de faciliteit nodig voor de nakoming van de taak, bedoeld in artikel 3.25;

    2. de transmissie- of distributiesysteembeheerder gebruikt de faciliteit niet om elektriciteit of een andere energiedrager te kopen of te verkopen; en

    3. de transmissie- of distributiesysteembeheerder heeft aangetoond dat marktpartijen de faciliteit niet tegen redelijke kosten of binnen een redelijke termijn kunnen bieden.

  2. De Autoriteit Consument en Markt:

    1. kan een leidraad opstellen voor een billijke aanbestedingsprocedure voor een elektriciteitsopslagfaciliteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;

    2. kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid;

    3. doet mededeling aan de Europese Commissie en aan Acer van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid die is verleend aan een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit;

    4. houdt ten minste eens in de vijf jaar een openbare raadpleging over elektriciteitsopslagfaciliteiten waarvoor een ontheffing is verleend, om de potentiële beschikbaarheid en belangstelling om in dergelijke faciliteiten te investeren, te evalueren; en

    5. trekt een ontheffing in als uit de evaluatie, bedoeld in onderdeel c, is gebleken dat marktpartijen in staat zijn dergelijke elektriciteitsopslagfaciliteiten op een kosteneffectieve manier te bezitten, te ontwikkelen, te exploiteren of te beheren.

  3. In een besluit tot intrekking van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt aan de transmissie- of distributiesysteembeheerder een termijn van ten hoogste achttien maanden gesteld om het gebruik van de elektriciteitsopslagfaciliteit te beëindigen, tenzij deze krachtens artikel 3.32 is erkend als volledig geïntegreerde netwerkcomponent.

Artikel 3.34

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt periodiek een investeringsplan op.

  2. In een investeringsplan is ten minste opgenomen:

    1. een beschrijving en onderbouwing van de noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen en vervangingsinvesteringen gelet op artikel 3.25, eerste lid;

    2. een beschrijving en onderbouwing van de congestiebeheers- of systeembeheersdiensten die de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit zal inkopen om verzwaring van het systeem te voorkomen als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid; en

    3. een beschrijving en onderbouwing van de uitvoering van de investeringen, bedoeld in onderdeel a, waaronder de volgorde van uitvoering van de noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen en factoren die vertraging in de uitvoering van een investering kunnen veroorzaken, en de inkoop van diensten, bedoeld in onderdeel b, voor de termijn waarvoor het investeringsplan geldt.

  3. Bij de beschrijving en onderbouwing van de uitbreidingsinvesteringen en vervangingsinvesteringen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn ten minste opgenomen de investeringen:

    1. waarvoor een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 de Omgevingswet is vastgesteld;

    2. voor de ontsluiting van windparken, die zijn opgenomen in een programma als bedoeld in afdeling 3.2 de Omgevingswet;

    3. ter uitvoering van het ontwikkelkader, bedoeld in artikel 3.83, en de daarvoor benodigde aanleg of uitbreiding van systeemkoppelingen tussen het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee en het transmissiesysteem voor elektriciteit;

    4. die zijn opgenomen in een meerjarenprogramma infrastructuur energie en klimaat gericht op de energie- en klimaatdoelen uit het nationale energie- en klimaatplan, bedoeld in verordening 2018/1999, en

    5. die nodig zijn om de aanbiedingen te doen als bedoeld in artikel 3.38, derde lid, 3.40, vierde lid, artikel 3.46, tweede lid, en 3.47, tweede lid.

Artikel 3.35

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder legt een ontwerpinvesteringsplan voor aan eenieder ter consultatie en aan Onze Minister ten behoeve van het onderzoek bedoeld in het tweede lid.

  2. Onze Minister onderzoekt of het ontwerpinvesteringsplan van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voldoende rekenschap geeft van:

    1. de krachtens artikel 3.36, eerste lid, onderdeel f, vastgestelde regels;

    2. indien het een investeringsplan van een transmissiesysteembeheerder betreft, het ingevolge verordening 2018/1999 opgestelde nationale energie- en klimaatplan; en

    3. indien het een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit betreft, het ingevolge artikel 15 van verordening 2019/943 vastgestelde actieplan.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder verwerkt de consultatiereacties en de bevindingen van Onze Minister in het ontwerpinvesteringsplan en legt het ontwerpinvesteringsplan vervolgens ter toetsing voor aan de Autoriteit Consument en Markt.

  4. De Autoriteit Consument en Markt toetst of een ontwerpinvesteringsplan voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 3.34 tot en met 3.36 gestelde eisen, waaronder of geen sprake is van overinvestering of onderinvestering in het licht van de taak, bedoeld in artikel 3.25 en of de transmissie- of distributiesysteembeheerder in redelijkheid tot het ontwerpinvesteringsplan heeft kunnen komen. De Autoriteit Consument en Markt betrekt hierbij tevens de bevindingen van Onze Minister.

  5. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt het investeringsplan vast na ontvangst van de toetsingsresultaten van de Autoriteit Consument en Markt en verantwoordt daarbij hoe deze toetsingsresultaten zijn verwerkt.

  6. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voert de in het investeringsplan opgenomen investeringen en de inkoop van congestiebeheers- of systeembeheersdiensten uit conform het investeringsplan.

Artikel 3.36

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    1. de termijn waarvoor het investeringsplan geldt;

    2. de nadere inhoud en het aggregatieniveau van een investeringsplan;

    3. de procedure waarlangs een investeringsplan tot stand komt;

    4. de wijze waarop de noodzaak van investeringen wordt beschreven en onderbouwd;

    5. de wijze waarop de uitvoering van de investeringen wordt beschreven en onderbouwd;

    6. de wijze waarop de volgorde van de uitvoering van de noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen wordt bepaald, daarbij rekening houdend met het maatschappelijk belang van de investeringen;

    7. het tijdstip en de frequentie waarmee een investeringsplan dan wel onderdelen daarvan, wordt opgesteld dan wel aangepast;

    8. de wijze waarop en bij wie een ontwerpinvesteringsplan wordt geconsulteerd;

    9. de wijze waarop bekendheid wordt gegeven aan een investeringsplan;

    10. de procedure waarlangs en de wijze waarop het ontwerpinvesteringsplan door de Autoriteit Consument en Markt wordt getoetst.

  2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval verschillen voor verschillende systemen, verschillende delen van systemen met een verschillend spannings- of drukniveau en verschillende systeembeheerders.

Artikel 3.37

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt, met inachtneming van een voorstel van de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit respectievelijk gas, voor ieder van deze systeembeheerders een gebied vast waarbinnen de betreffende systeembeheerder de taak, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, respectievelijk 3.40, eerste lid, verricht. De Autoriteit Consument en Markt kan daarbij tevens vaststellen in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden een distributiesysteembeheerder deze taak mag verrichten in een aangrenzend gebied.

  2. De Autoriteit Consument en Markt publiceert een besluit als bedoeld in het eerste lid op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

Artikel 3.38

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit doet in het voor hem krachtens artikel 3.37, eerste lid, vastgestelde gebied op verzoek een aanbod tot:

    1. aanleg van een aansluiting op zijn systeem op een voor die aansluiting geschikt punt met een voor die aansluiting geschikt spanningsniveau; of

    2. wijziging van een aansluiting op zijn systeem.

  2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder doet een aanbod als bedoeld in het eerste lid binnen een redelijke termijn en realiseert een aansluiting binnen een redelijke termijn na aanvaarding van het aanbod.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit kan het doen van een aanbod als bedoeld in het eerste lid, weigeren indien en voor zo lang er voor de verzochte aansluiting onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem. De transmissie- of distributiesysteembeheerder neemt passende maatregelen, waaronder de benodigde uitbreidingsinvesteringen, om zo spoedig mogelijk alsnog een aanbod te doen.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen situaties waarin een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit niet op economische voorwaarden kan worden beheerd, ontwikkeld en onderhouden.

  5. Met het oog op de uitvoering van het derde lid wordt in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, in ieder geval opgenomen:

    1. de wijze waarop een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bepaalt en onderbouwt dat voor de verzochte aansluiting onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem en de informatie die hij daarover aan de verzoeker verschaft;

    2. de informatie die een transmissie- of distributiesysteembeheerder aan de verzoeker verschaft over de maatregelen die hij neemt om de transportcapaciteit op zijn systeem uit te breiden om een aanbod op het verzoek te kunnen doen;

    3. de informatie die een transmissie- of distributiesysteembeheerder aan de verzoeker verschaft over redelijkerwijs beschikbare alternatieven voor de verzochte aansluiting.

Artikel 3.39

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit doet op verzoek en met het oog op het realiseren van een aansluiting op zijn systeem een aanbod tot koppeling met zijn systeem van een door de verzoeker aangelegde leiding en daarmee verbonden hulpmiddelen, mits de leidingen en hulpmiddelen voldoen aan de voorafgaand aan de aanleg door de transmissie- of distributiesysteembeheerder gestelde technische vereisten waardoor de betrouwbaarheid van het door de transmissie- of distributiesystembeheerder beheerde systeem gewaarborgd blijft en:

    1. de te realiseren aansluiting een minimale aansluitwaarde heeft van 2,3 MVA; of

    2. de verzoeker een organisatorische eenheid is, die zich in hoofdzaak bezig houdt met openbaar vervoer per trein, tram, of trolley, met mijnbouwkundige activiteiten, met het beheer en de exploitatie van telecommunicatie- en kabelnetwerken, met het beheer van openbare verlichting of van verkeersregelinstallaties, dan wel met riolering, bemaling, waterzuivering of transport en distributie van water waarbij deze eenheid ingevolge de technische aard van de bedrijfsuitoefening beschikt over verscheidene aansluitingen.

  2. Met de koppeling, bedoeld in het eerste lid, worden de door de verzoeker aangelegde leiding en daarmee verbonden hulpmiddelen onderdeel van het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit en wordt de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit beschouwd als de bevoegde aanlegger hiervan als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.

  3. Artikel 3.38, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op het doen van een aanbod, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor «aansluiting» wordt gelezen «met koppeling te realiseren aansluiting».

  4. Met het oog op de uitvoering van het eerste lid worden in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, in ieder geval opgenomen de voorwaarden waaraan een aangelegde leiding en daarmee verbonden hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid moeten voldoen.

Artikel 3.40

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas doet in het voor hem krachtens artikel 3.37, eerste lid, vastgestelde gebied op verzoek een aanbod tot:

    1. aanleg van een aansluiting op zijn systeem op een voor die aansluiting geschikt punt met een voor die aansluiting geschikt drukniveau; of

    2. wijziging van een aansluiting op zijn systeem, anders dan het omschakelen van die aansluiting.

  2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder doet een aanbod als bedoeld in het eerste lid, binnen een redelijke termijn en realiseert de aansluiting binnen een redelijke termijn na aanvaarding van het aanbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het verzoek ziet op:

    1. de aanleg van een kleine aansluiting voor het onttrekken van gas aan het transmissie- of distributiesysteem voor gas ten behoeve van een te bouwen bouwwerk waarvan niet reeds op 1 juli 2018 een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was afgegeven of een bouwwerk dat na 1 januari 2015 zonder aansluiting op het distributiesysteem voor gas is gerealiseerd, tenzij een college van burgemeester en wethouders het gebied waarin dit bouwwerk wordt of is gebouwd heeft aangewezen als gebied waar aansluiting op het distributiesysteem voor gas strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang;

    2. een aansluiting voor het onttrekken van laagcalorisch gas aan het transmissie- of distributiesysteem voor gas ten behoeve van een installatie die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen heeft met en in de onmiddellijke nabijheid is gelegen van een installatie die als gevolg van het verbod in artikel 2.62, eerste lid, niet meer is aangesloten op dat deel van zijn systeem waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd;

    3. de aanleg van een aansluiting voor het onttrekken van gas aan het transmissie- of distributiesysteem in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen situaties waarin een transmissie- of distributiesysteem voor gas niet op economische voorwaarden kan worden ontwikkeld, beheerd en onderhouden.

  4. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas kan het doen van een aanbod als bedoeld in het eerste lid weigeren indien er voor de verzochte aansluiting op grond van objectieve en technische criteria aantoonbaar onvoldoende capaciteit beschikbaar is, tenzij de verzoeker een producent is van gas uit hernieuwbare bronnen en het op grond van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen criteria economisch verantwoord is om de capaciteit uit te breiden voor de verzochte aansluiting.

  5. Met het oog op de uitvoering van het vierde lid, wordt in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, in ieder geval opgenomen:

    1. de wijze waarop een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt en onderbouwt dat voor de verzochte aansluiting onvoldoende capaciteit beschikbaar is en de informatie die hij daarover aan de verzoeker verschaft;

    2. de informatie die een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas aan de verzoeker verschaft over de maatregelen die hij neemt om de capaciteit uit te breiden om een aanbod op het verzoek te kunnen doen.

Artikel 3.41

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder doet op verzoek een aanbod om een aansluiting in werking te stellen, in gebruik te geven, te beheren en te onderhouden.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gevallen waarin een transmissie- of distributiesysteembeheerder:

    1. is gehouden een aansluiting buiten werking te stellen vanuit het belang van het goed functioneren van het stelsel van leveren, balanceren en meten; en

    2. is gehouden een aansluiting te verwijderen na beëindiging van de aansluitovereenkomst.

  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    1. de procedure die een transmissie- of distributiesysteembeheerder doorloopt voordat hij overgaat tot buitenwerkingstellen of verwijderen van een aansluiting;

    2. de informatie die een transmissie- of distributiesysteembeheerder voorafgaand aan een buitenwerkingstelling of verwijdering aan een aangeslotene verstrekt.

Artikel 3.42

  1. Een college van burgemeester en wethouders kan gebieden aanwijzen waar de taak voor een distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 3.40 niet geldt voor kleine aansluitingen voor het onttrekken van gas indien zich in dat gebied een andere energie-infrastructuur bevindt die kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte.

  2. Een college van burgemeester en wethouders meldt een besluit als bedoeld in het eerste lid, aan de Autoriteit Consument en Markt.

  3. Een college van burgemeester en wethouders meldt een besluit als bedoeld in artikel 3.40, derde lid, onderdeel a, aan de Autoriteit Consument en Markt.

  4. De Autoriteit Consument en Markt houdt een register bij van:

    1. gebieden waarvoor een besluit als bedoeld in het eerste lid geldt; en

    2. gebieden waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 3.40, derde lid, onderdeel a, geldt.

  5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de melding, bedoeld in het tweede en derde lid, en de in het register, bedoeld in het vierde lid, te vermelden gegevens.

Artikel 3.43

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt voor een aansluiting op zijn systeem de locatie van het overdrachtspunt vast, met inachtneming van de redelijke belangen van de aangeslotene.

  2. Indien een aansluiting uit meerdere leidingen bestaat stelt de transmissie- of distributiesysteembeheerder per leiding de locatie van het overdrachtspunt vast.

  3. De betreffende transmissie- of distributiesysteembeheerders stellen gezamenlijk het overdrachtspunt van een systeemkoppeling vast.

Artikel 3.44

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder kent ten behoeve van een aansluiting op zijn systeem een primair allocatiepunt toe.

  2. Indien krachtens artikel 2.46, tweede lid, onderdeel a, is bepaald dat een plaats wordt aangemerkt als een additioneel allocatiepunt, kent een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit aan die plaats een additioneel allocatiepunt toe.

  3. Indien een aangeslotene op een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit meer dan één marktdeelnemer contracteert inzake verbruik of invoeding, kent een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit op verzoek van die aangeslotene een of meerdere additionele allocatiepunten toe.

Artikel 3.45

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit geeft een meetverantwoordelijke partij toegang tot zijn systeem, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.48.

  2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald tot welke delen van het systeem een meetverantwoordelijke partij toegang moet hebben en kunnen regels worden gesteld aan die toegang.

Artikel 3.46

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit doet op verzoek een aanbod tot het verzorgen van transport van elektriciteit over zijn systeem.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit kan het doen van een aanbod weigeren, indien en voor zo lang er voor het verzochte transport op grond van objectieve en technische criteria aantoonbaar onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem. De transmissie- of distributiesysteembeheerder neemt passende maatregelen om zo spoedig mogelijk een aanbod te doen.

  3. In de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, wordt in ieder geval opgenomen:

    1. met het oog op de uitvoering van het eerste lid, de voorwaarden voor een aanbod van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit tot het verzorgen van transport van elektriciteit over zijn systeem aan meerdere aangeslotenen gezamenlijk;

    2. met het oog op de uitvoering van het tweede lid, de wijze waarop een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bepaalt en onderbouwt dat onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem en de informatie die hij daarover aan de verzoeker verschaft.

Artikel 3.47

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas doet op verzoek een aanbod tot het verzorgen van transport van gas over zijn systeem.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas kan het doen van een aanbod als bedoeld in het eerste lid weigeren indien er voor het verzochte transport op grond van objectieve en technische criteria aantoonbaar onvoldoende capaciteit beschikbaar is op zijn systeem, tenzij het verzoek invoeding van gas uit hernieuwbare bronnen betreft en het op grond van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen criteria economisch verantwoord is om de transportcapaciteit uit te breiden voor het verzochte transport.

  3. Met het oog op de uitvoering van het tweede lid, wordt in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, in ieder geval opgenomen:

    1. de wijze waarop een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt en onderbouwt dat voor het verzochte transport onvoldoende capaciteit beschikbaar is op zijn systeem en de informatie die hij daarover aan de verzoeker verschaft;

    2. de informatie die een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas aan de verzoeker verschaft over de maatregelen die hij neemt om de capaciteit uit te breiden om een aanbod op het verzoek te kunnen doen.

Artikel 3.48

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas:

    1. accepteert op zijn systeem gas dat voldoet aan de invoedspecificaties volgens bij ministeriële regeling gestelde regels;

    2. weert gas op zijn systeem dat niet voldoet aan deze specificaties; en

    3. draagt er zorg voor dat gas dat op afleverpunten van het systeem wordt afgenomen voldoet aan de afleverspecificaties die Onze Minister bij ministeriële regeling vaststelt.

  2. De transmissiesysteembeheerder voor gas mengt, bewerkt of behandelt gas dat op zijn systeem wordt ingevoed zo nodig teneinde te voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan een transmissie- of distributiesysteembeheerder de invoeding van gas dat voldoet aan de krachtens dat artikellid gestelde invoedspecificaties weigeren, indien die invoeding ertoe zou leiden dat de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas niet in redelijkheid kan voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, accepteert een transmissiesysteembeheerder voor gas op verzoek invoeding van gas dat niet voldoet aan de krachtens het eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde invoedspecificaties, indien hij dit redelijkerwijs en met gebruikmaking van het systeem kan mengen en kan voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  5. Een transmissiesysteembeheerder voor gas accepteert op verzoek invoeding van waterstofgas of andere gasvormige stoffen dan gas, indien hij dit redelijkerwijs en met gebruikmaking van het systeem kan mengen en kan voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  6. De invoedspecificaties en de afleverspecificaties, bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval verschillen voor invoed- en afleverpunten en naar energie-inhoud, drukniveau en regio.

Artikel 3.49

  1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit:

    1. treft voorzieningen voor de balancering van het door hem beheerde systeem en alle in Nederland aanwezige en onderling verbonden systemen voor elektriciteit; en

    2. faciliteert balanceringsverantwoordelijken voor elektriciteit om hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de balans van het systeem uit te voeren.

  2. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit faciliteert de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit bij de administratieve afhandeling van de balancering, bedoeld in het eerste lid.

  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de handelingen van een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit ter uitvoering van het tweede lid.

  4. Als een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit een dienst in de vorm van een verandering in de elektriciteitsbelasting koopt bij een marktdeelnemer die vraagresponsdiensten levert:

    1. past de transmissiesysteembeheerder het elektriciteitsprogramma aan van de balanceringsverantwoordelijke voor elektriciteit die actief is op het betreffende allocatiepunt waarvan de flexibiliteit afkomstig is; en

    2. verrekent de transmissiesysteembeheerder de in het elektriciteitsprogramma aangepaste hoeveelheid elektriciteit tussen de marktdeelnemer die vraagresponsdiensten levert en de balanceringsverantwoordelijke voor elektriciteit die actief is op het betreffende allocatiepunt waarvan de flexibiliteit afkomstig is conform een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen berekeningsmethode.

  5. Bij de uitvoering van het eerste en tweede lid gebruikt een systeembeheerder voor elektriciteit van aangeslotenen met een kleine aansluiting ten hoogste meetgegevens per kwartier en aggregeert bij eerste gelegenheid de meetgegevens van de aangeslotenen op zijn systeem.

Artikel 3.50

  1. De transmissiesysteembeheerder voor gas:

    1. treft voorzieningen voor de balancering van het door hem beheerde systeem; en

    2. faciliteert balanceringsverantwoordelijken voor gas om hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de balans van het systeem uit te voeren.

  2. Een distributiesysteembeheerder voor gas faciliteert de transmissiesysteembeheerder voor gas bij de administratieve afhandeling van de balancering, bedoeld in het eerste lid.

  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de handelingen van een distributiesysteembeheerder voor gas ter uitvoering van het tweede lid.

  4. Een transmissiesysteembeheerder voor gas verschaft een balanceringsverantwoordelijke voor gas actuele en zo correct en volledig mogelijke informatie over:

    1. de mate waarin zijn balanceringsportfolio in evenwicht is; en

    2. de mate waarin het landelijk transportsysteem in evenwicht is.

  5. Bij de uitvoering van het eerste en tweede lid aggregeert een systeembeheerder voor gas bij eerste gelegenheid de meetgegevens van de aangeslotenen op zijn systeem.

Artikel 3.51

  1. Een distributiesysteembeheerder stelt aan een aangeslotene met een kleine aansluiting voor elektriciteit of gas, die op grond van artikel 2.46, eerste lid, over een meetinrichting moet beschikken, een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit beschikbaar, installeert deze op of nabij het overdrachtspunt en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  2. Indien een distributiesysteembeheerder redelijkerwijs niet in staat is een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit bij een aangeslotene met een kleine aansluiting te plaatsen en de oorzaak daarvan niet in de macht van de aangeslotene ligt, stelt de distributiesysteembeheerder een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit ter beschikking, installeert deze op of nabij het overdrachtspunt en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  3. Een distributiesysteembeheerder die krachtens artikel 2.46, tweede lid, onderdeel b, een meetinrichting installeert en beheert, stelt een meetinrichting beschikbaar, installeert deze op of nabij de andere plaats en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  4. Een distributiesysteembeheerder doet aan een aangeslotene met een kleine aansluiting voor elektriciteit of gas op diens verzoek een aanbod om binnen vier maanden een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit ter beschikking te stellen:

    1. in het geval het eerder technisch onmogelijk was een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit te plaatsen; of

    2. ter vervanging van een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit.

Artikel 3.52

Bij ministeriële regeling kunnen inzake aangeslotenen met een kleine aansluiting regels worden gesteld over:

  1. de installatie en het beheer van meetinrichtingen;

  2. de administratie in verband met het vervangen, installeren of verwijderen van meetinrichtingen;

  3. de informatieverstrekking door een distributiesysteembeheerder over het gebruik en de mogelijkheden van een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit.

Artikel 3.53

  1. Een distributiesysteembeheerder schakelt op verzoek van een aangeslotene met een kleine aansluiting de communicatiefunctionaliteit administratief aan of uit.

  2. Indien een distributiesysteembeheerder op grond van artikel 3.51, eerste lid, een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit ter beschikking stelt aan een aangesloten met een kleine aansluiting, kan de aangeslotene deze weigeren. In dat geval stelt de distributiesysteembeheerder een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit ter beschikking, installeert deze op of nabij het overdrachtspunt en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  3. Een distributiesysteembeheerder zendt Onze Minister de persoonsgegevens van een aangeslotene met een kleine aansluiting indien hij deze aangeslotene een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen ter beschikking heeft gesteld maar dit niet heeft geleid tot installatie van die meetinrichting.

Artikel 3.54

  1. De transmissiesysteembeheerder voor gas stelt aan een aangeslotene op zijn systeem voor gas nabij het overdrachtspunt een meetinrichting beschikbaar, installeert deze en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren indien de aangeslotene:

    1. uitsluitend gas afneemt;

    2. een beheerder van een gesloten systeem voor gas is.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de installatie en het beheer van meetinrichtingen.

Artikel 3.55

  1. Een systeembeheerder beschikt op of nabij het overdrachtspunt van een systeemkoppeling over een meetinrichting die voldoet aan de krachtens het tweede lid gestelde eisen.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de eisen en functionaliteiten waaraan een meetinrichting of een onderdeel van een meetinrichting, bedoeld in het eerste lid, ten minste moet voldoen.

Artikel 3.56

  1. Een systeembeheerder draagt er zorg voor dat op zijn systeemkoppeling een meetverantwoordelijke partij actief is die de meetinrichting als bedoeld in artikel 3.55, eerste lid, installeert en beheert en wijst gezamenlijk met de bij een systeemkoppeling betrokken andere systeembeheerder een meetverantwoordelijke partij aan.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een systeemkoppeling tussen het transmissiesysteem voor gas en een distributiesysteem voor gas.

  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de installatie en het beheer van meetinrichtingen.

Artikel 3.57

  1. Een distributiesysteembeheerder verzamelt, valideert en stelt de meetgegevens vast van aangeslotenen met een kleine aansluiting voor elektriciteit of gas, die beschikken over een door een distributiesysteembeheerder op grond van artikel 3.51 geïnstalleerde meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit aan staat, indien dit noodzakelijk is voor:

    1. het uitvoeren van de verplichtingen van een marktdeelnemer of balanceringsverantwoordelijke op grond van hoofdstuk 2;

    2. het uitvoeren van taken of verplichtingen bij of krachtens hoofdstuk 3.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    1. welke meetgegevens worden verzameld, gevalideerd of vastgesteld;

    2. de frequentie waarmee meetgegevens worden verzameld, gevalideerd of vastgesteld, waarbij:

      1. de intervalfrequentie van verbruiks- invoedgegevens niet hoger is dan een kwartier; en

      2. verbruiks- en invoedgegevens ten hoogste één maal per dag worden verzameld;

    3. de wijze waarop meetgegevens worden verzameld;

    4. nauwkeurigheidseisen bij het verzamelen van meetgegevens;

    5. methoden voor het herleiden en berekenen van de hoeveelheid gas en de energie-inhoud van het gas;

    6. methoden voor het herleiden en berekenen ten behoeve van het valideren en vaststellen van meetgegevens.

Artikel 3.58

Een distributiesysteembeheerder verzamelt, valideert en stelt de meetgegevens vast van aangeslotenen met een kleine aansluiting voor elektriciteit of gas, die bij het overdrachtspunt beschikken over een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet wordt gebruikt:

  1. bij de vervanging van een meetinrichting;

  2. bij een aanpassing van een aansluiting;

  3. bij een aanpassing van een meetinrichting;

  4. bij aanwijzingen van onbetrouwbaarheid of onvolledigheid van meetgegevens, volgens bij ministeriële regeling te bepalen criteria.

Artikel 3.59

  1. Een transmissiesysteembeheerder voor gas verzamelt, valideert en stelt de meetgegevens vast van een aangeslotene op zijn systeem indien de aangeslotene:

    1. uitsluitend gas onttrekt;

    2. een beheerder van een gesloten systeem voor gas is.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    1. welke meetgegevens worden verzameld, gevalideerd of vastgesteld;

    2. de frequentie waarmee meetgegevens worden verzameld, gevalideerd of vastgesteld;

    3. de wijze waarop meetgegevens worden verzameld;

    4. nauwkeurigheidseisen bij het verzamelen van meetgegevens;

    5. methoden voor het herleiden en berekenen van de hoeveelheid gas en de energie-inhoud van het gas;

    6. methoden voor het herleiden en berekenen ten behoeve van het valideren en vaststellen van meetgegevens.

Artikel 3.60

  1. Een meetverantwoordelijke partij, bedoeld in artikel 3.56, eerste lid, verzamelt, valideert en stelt de meetgegevens vast op een systeemkoppeling.

  2. Een transmissiesysteembeheerder voor gas verzamelt, valideert en stelt de meetgegevens vast op een systeemkoppeling tussen zijn systeem en een distributiesysteem voor gas.

  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    1. welke meetgegevens worden verzameld, gevalideerd of vastgesteld;

    2. de frequentie waarmee meetgegevens worden verzameld, gevalideerd of vastgesteld;

    3. de wijze waarop meetgegevens worden verzameld;

    4. nauwkeurigheidseisen bij het verzamelen van meetgegevens;

    5. methoden voor het herleiden en berekenen van de hoeveelheid gas en de energie-inhoud van het gas;

    6. methoden voor het herleiden en berekenen ten behoeve van het valideren en vaststellen van meetgegevens.

Artikel 3.61

  1. De transmissiesysteembeheerder voor gas en een distributiesysteembeheerder past een door Onze Minister goedgekeurd protocol voor een steekproefsgewijze controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen op de bij of krachtens artikel 2.46, derde lid, en de bij of krachtens artikel 5 van de Metrologiewet gestelde eisen.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan het protocol.

Artikel 3.62

Een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas heeft, indien Onze Minister hem dit opdraagt, tot taak werkzaamheden te verrichten ter uitvoering van verordening 2019/941 respectievelijk verordening 2017/1938.

Artikel 3.63

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt op verzoek van een aangeslotene op haar systeem, of van een aangeslotene op een gesloten systeem dat met haar systeem is verbonden, vast:

  1. of diens installatie geschikt is voor de opwekking van gas uit hernieuwbare bronnen, elektriciteit uit hernieuwbare bronnen of uit andere bronnen dan wel of sprake is van een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;

  2. of de inrichting om te meten, die wordt gebruikt in de installatie geschikt is voor de meting van de hoeveelheid elektriciteit of gas die is geproduceerd; en

  3. in geval van omzetting van energie in een andere vorm van energie, of de inrichting om te meten, die wordt gebruikt in de installatie geschikt is voor de meting van de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen of uit andere bronnen die is gebruikt voor de opwekking van de hoeveelheid, bedoeld in onderdeel b.

Artikel 3.64

  1. De transmissiesysteembeheerder voor gas treft voorzieningen om vergunninghouders in staat te stellen de levering van gas aan alle aangeslotenen met een kleine aansluiting te verzorgen in perioden van extreme koude.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de perioden van extreme koude en de te treffen voorzieningen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.65

De transmissiesysteembeheerder voor gas zet, ten behoeve van aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken, indien noodzakelijk, gelet op het verschil tussen de kwaliteit van het zich in het transmissiesysteem bevindende gas en het aan het transmissiesysteem te onttrekken gas:

  1. gas met een hogere energie-inhoud administratief of fysiek om naar een lagere energie-inhoud;

  2. gas met een lagere energie-inhoud administratief om naar een hogere energie-inhoud, voor zover er gas met een hogere energie-inhoud voor omzetting beschikbaar is;

tenzij dit redelijkerwijs niet van een transmissiesysteembeheerder voor gas kan worden gevergd.

Artikel 3.66

  1. Een transmissiesysteembeheerder voor gas biedt jaarlijks voor een bij ministeriële regeling te bepalen datum, na raadpleging van de representatieve organisaties van aangeslotenen aan Onze Minister een overzicht aan met daarin:

    1. de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas die in een gasjaar benodigd zijn om te voorzien in de gasvraag van eindafnemers;

    2. de capaciteit die in een gasjaar benodigd is om eindafnemers van zowel hoog- als laagcalorisch gas te voorzien en de middelen en methoden daarvoor beschikbaar zijn;

    3. de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas die gedurende het gasjaar moeten worden opgeslagen om de in onderdeel a bedoelde hoeveelheid gas op betrouwbare wijze te kunnen leveren en de in onderdeel b bedoelde capaciteit op betrouwbare wijze beschikbaar te hebben; en

    4. de vraagontwikkeling voor de komende vijf jaar naar hoog- en laagcalorisch gas.

  2. Het overzicht bevat ten minste een beschrijving van:

    1. de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas en de bijbehorende capaciteiten, benodigd om eindafnemers in de volgende gevallen van gas te voorzien:

      1. extreme temperaturen gedurende een zeven dagen durende piekperiode die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar;

      2. een periode van dertig dagen met een uitzonderlijk hoge gasvraag die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar; en

      3. een periode van dertig dagen in het geval van verstoring van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur onder gemiddelde winterse omstandigheden.

    2. de gewenste vulniveaus en de benodigde functionaliteiten van de gasopslaginstallaties voor respectievelijk hoog- en laagcalorisch gas;

    3. het verwachte planmatig onderhoud aan de installaties van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de daaruit voortvloeiende transportbeperkingen;

    4. de verwachte ontwikkeling in de samenstelling van het hoogcalorisch gas;

    5. de optimale inzet van andere middelen en methoden, waaronder:

      1. de beschikbare conversiecapaciteit per gasjaar om gas met een hogere energie-inhoud om te zetten naar gas met een lagere energie-inhoud;

      2. gasopslaginstallaties en LNG-installaties;

      3. de beschikbare capaciteit op de grenspunten;

      4. de verwachte productie van gas uit hernieuwbare energiebronnen; en

      5. de inzet van de reservemiddelen waarover de netbeheerder van het landelijk gastransportnet beschikt om gas met een hogere energie-inhoud om te zetten naar gas met een lagere energie-inhoud, in het geval van een dag met een uitzonderlijk hoge vraag naar gas die zich met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar voordoet.

    6. de verwachte vraag naar hoog- en laagcalorisch gas van verschillende categorieën eindafnemers.

  3. Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevat ten minste een beschrijving van:

    1. de verwachte vraag naar hoog- en laagcalorisch gas waarbij een onderscheid in vraag tussen verschillende categorieën eindafnemers wordt aangegeven;

    2. de verwachte vraag naar hoog- en laagcalorisch gas waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar verschillende temperatuurscenario’s; en

    3. de verwachte inzet van de middelen en methoden.

  4. Bij ministeriële regeling wordt de datum, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het overzicht.

Artikel 3.67

  1. De transmissiesysteembeheerder voor gas heeft, in het belang van het planmatig beheer van voorkomens van gas, ter verzekering op lange termijn van een behoedzaam en rationeel gebruik van deze natuurlijke hulpbron tot taak zorg te dragen voor de inname en het transport van gas uit de gasvoorkomens in gebieden binnen Nederland en op het continentaal plat.

  2. Indien de transmissiesysteembeheerder voor gas ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak moet investeren in de aanleg of uitbreiding van het transmissiesysteem dan meldt hij dit voornemen aan Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de melding.

  3. Onze Minister besluit binnen 13 weken nadat de melding is gedaan, of een investering als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk is, gelet op het belang, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister besluit dat de investering niet noodzakelijk is, wordt de transmissiesysteembeheerder voor gas geacht te zijn ontheven van de in het eerste lid bedoelde taak voor dat voorkomen.

  4. De transmissiesysteembeheerder voor gas overlegt jaarlijks aan Onze Minister een overzicht, waarin ten aanzien van de eerstvolgende twintig jaar ramingen zijn opgenomen met betrekking tot de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder vermelding van daarbij gehanteerde vooronderstellingen en relevante onderscheiden.

Artikel 3.68

  1. De transmissiesysteembeheerder voor gas kan, ten einde te waarborgen dat hij de taken, bedoeld in artikel 3.67 zo doelmatig mogelijk kan uitvoeren, voorwaarden stellen aan de wijze waarop het gas van de houders van Nederlandse winningsvergunningen dan wel degene met wie voor het gebruik van die vergunning een overeenkomst is gesloten inzake het voor gezamenlijke rekening winnen van gas, wordt ingenomen.

  2. Systeembeheerders, marktdeelnemers, netgebruikers en aangeslotenen verstrekken de transmissiesysteembeheerder voor gas desgevraagd tijdig voldoende inlichtingen en gegevens om te waarborgen dat hij de taken, bedoeld in het eerste lid kan uitvoeren.

  3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden en de in het tweede lid genoemde gegevens en inlichtingen.

Artikel 3.69

De transmissiesysteembeheerder voor gas verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die hij nodig heeft voor de toepassing van artikel 3.67, tweede lid.

Artikel 3.70

De transmissiesysteembeheerder voor gas schakelt een aangeslotene op zijn systeem die ingevolge artikel 2.62, tweede lid, heeft gemeld dat diens aansluiting omgeschakeld moet worden, om overeenkomstig de planning of aangepaste planning, bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, onderscheidenlijk tweede of derde lid, of, indien op grond van artikel 2.64, eerste lid, een ontheffing is verleend aan de betrokken aangeslotene, overeenkomstig de aangepaste planning die aan die ontheffing ten grondslag ligt.

Artikel 3.71

  1. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.70, informeert de transmissiesysteembeheerder voor gas de betrokken aangeslotene en Onze Minister over de planning van de omschakeling, voorzien van een onderbouwing van de benodigde tijd voor de onderscheiden activiteiten ten behoeve van de omschakeling en de mate waarin rekening is gehouden met de gegevens, bedoeld in artikel 2.63, tweede lid.

  2. Indien de planning, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de aangeslotene of de transmissiesysteembeheerder voor gas als gevolg van gewijzigde omstandigheden aanpassing behoeft, stelt de transmissiesysteembeheerder voor gas, in afstemming met de aangeslotene, een aangepaste planning op en informeert Onze Minister hier zo spoedig mogelijk over. De aangepaste planning wordt voorzien van een onderbouwing van elke afwijking ten opzichte van de eerder ingediende planning.

  3. Onze Minister kan de transmissiesysteembeheerder voor gas een bindende gedragslijn opleggen in verband met de planning of aangepaste planning van de onderscheiden activiteiten ten behoeve van de omschakeling, indien dit naar zijn oordeel in het belang is van de zo spoedig mogelijke afbouw of beëindiging van de gaswinning uit het gebied dat is aangewezen in de bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39 (Stcrt. 126) verleende winningsvergunning of in het economisch belang is van de aangeslotene. De transmissiesysteembeheerder voor gas stuurt binnen vier weken na ontvangst van de bindende gedragslijn een aangepaste planning aan Onze Minister en de betrokken aangeslotene.

Artikel 3.72

  1. De transmissiesysteembeheerder voor gas zendt binnen een maand na afloop van een gasjaar een rapportage aan Onze Minister over:

    1. de voortgang van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.70, in relatie tot de geldende planning;

    2. in hoeverre het onttrekken van laagcalorisch gas aan het transmissie- of distributiesysteem door een aangeslotene als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, via diens aansluiting is beëindigd.

  2. Onze Minister verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na ontvangst daarvan aan de Autoriteit Consument en Markt.

  3. De transmissiesysteembeheerder voor gas informeert de Autoriteit Consument en Markt binnen vier weken na inwerkingtreding van dit artikel welke aangeslotenen in de gasjaren 2016/2017, 2017/2018 en 2018/2019 in ten minste twee van die gasjaren meer dan 100 miljoen m3(n) gas hebben onttrokken via diens aansluiting die verbonden is met dat deel van het transmissie- of distributiesysteem voor gas waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd, en verstrekt daarbij tevens informatie over de hoeveelheid gas dat per betrokken aansluiting in de hiervoor genoemde gasjaren is onttrokken.

  4. De transmissiesysteembeheerder voor gas verstrekt de Autoriteit Consument en Markt desgevraagd informatie over de hoeveelheid gas die een aangeslotene als bedoeld in het derde lid, via diens aansluiting heeft onttrokken aan dat deel van het transmissie- of distributiesysteem voor gas waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd.

  5. De transmissie- of distributiesysteembeheerders informeren de Autoriteit Consument en Markt binnen vier weken na afloop van een gasjaar welke aangeslotenen in het voorgaande gasjaar meer dan 100 miljoen m3(n) gas hebben onttrokken aan het transmissie- of distributiesysteem voor gas waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd, of, voor zover van toepassing, dat geen enkele aangeslotene in dat gasjaar meer dan 100 miljoen m3(n) gas heeft onttrokken aan het transmissie- of distributiesysteem voor gas waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd.

  6. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder in een gasjaar een aansluiting heeft gerealiseerd waarmee installaties van gas worden voorzien waarvan hij vermoedt dat die behoren tot eenzelfde onderneming of instelling, die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, en die al door hem van een aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd zijn voorzien, informeert hij de Autoriteit Consument en Markt binnen vier weken na afloop van dat gasjaar over het realiseren van die aansluiting en de locatie daarvan. De transmissie- of distributiesysteembeheerder verstrekt daarbij tevens informatie over de betrokken aangeslotene of aangeslotenen en de hoeveelheid gas die in dat voorafgaande gasjaar door middel van elke afzonderlijke aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd, is onttrokken.

  7. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder in een gasjaar op grond een aansluiting heeft gerealiseerd waarmee installaties van gas worden voorzien, waarvan hij vermoedt dat die behoren tot eenzelfde onderneming of instelling, die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, en al door een andere transmissie- of distributiesysteembeheerder van een aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem waarmee laagcalorisch gas wordt getransporteerd zijn voorzien, informeert hij die andere transmissie- of distributiesysteembeheerder en de Autoriteit Consument en Markt over dit vermoeden. Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt verstrekken beide systeembeheerders de informatie, bedoeld in het zesde lid.

Artikel 3.73

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen één of meer andere taken dan de op grond van deze wet opgedragen taken voor een bij die maatregel te bepalen periode van ten hoogste tien jaren per taak worden toegestaan aan een transmissie- of distributiesysteembeheerder indien:

    1. deze taken verband houden met de op grond van deze wet opgedragen taken;

    2. deze taken van belang zijn voor het toekomstig beheer van het systeem; en

    3. marktpartijen niet of in beperkte mate in de uitvoering van de taken voorzien.

  2. Indien het een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit betreft, beoordeelt Autoriteit Consument en Markt voorafgaand aan het toekennen van een taak als bedoeld in het eerste lid, de noodzaak van de toekenning.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de voortzetting of beëindiging van een overeenkomstig het eerste lid opgedragen taak.

  4. Bij het toekennen van een tijdelijke taak als bedoeld in het eerste lid kunnen voorwaarden worden gesteld en kan worden bepaald dat voor de uitvoering van die taak een tarief in rekening wordt gebracht bij degenen ten behoeve van wie de tijdelijke taak wordt uitgevoerd.

Artikel 3.74

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder waarborgt bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen de kwaliteit daarvan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  1. de wijze waarop die kwaliteit wordt gewaarborgd en daarover wordt gerapporteerd of gecommuniceerd;

  2. de wijze waarop een transmissie- of distributiesysteembeheerder omgaat met calamiteiten of voorvallen die nadelige gevolgen voor mens of milieu hebben of kunnen hebben.

Artikel 3.75

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  1. het financieel beheer van een transmissie- of distributiesysteembeheerder;

  2. de boekhouding van een transmissie- of distributiesysteembeheerder, waaronder eisen aan de scheiding van de boekhouding voor verschillende wettelijke taken of verplichtingen.

Artikel 3.76

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder verzamelt en gebruikt bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen de daarvoor noodzakelijke gegevens.

Artikel 3.77

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder die bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, draagt er zorg voor dat die gegevens niet ter beschikking komen of kunnen komen van derden, tenzij enig wettelijk voorschrift anders bepaalt.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheer verstrekt beheerders van andere systemen de informatie die zij nodig hebben voor de naleving van hun wettelijke taken of verplichtingen.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder verstrekt aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken, de informatie die ze nodig hebben voor een efficiënte toegang tot het transmissie- of distributiesysteem inclusief het gebruik ervan.

Artikel 3.78

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder maakt uit eigen beweging gegevens die hij bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen verzamelt en ontvangt, ten behoeve van inzicht in de structuur en het functioneren van het energiesysteem en de transitie naar een CO2-arme energievoorziening openbaar, waarbij:

    1. hij geen tot een persoon herleidbare gegevens of gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs had moeten vermoeden, openbaar maakt;

    2. hij geen gegevens openbaar maakt indien bij of krachtens deze of een andere wet openbaarmaking niet is toegestaan;

    3. bewerking en verrijking van gegevens is gericht op en beperkt is tot het voor derden begrijpelijk en toegankelijk maken van deze gegevens.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder verleent op verzoek toegang tot gegevens en wisselt gegevens uit, die hij bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen verzamelt en ontvangt, waarbij:

    1. hij geen tot een persoon herleidbare gegevens of gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs had moeten vermoeden, openbaar maakt of toegang toe verleent of uitwisselt, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.1;

    2. hij geen gegevens openbaar of maakt indien bij of krachtens deze of een andere wet openbaarmaking niet is toegestaan;

    3. bewerking en verrijking van gegevens gericht is op en beperkt is tot het voor de verzoeker op een toegankelijke wijze beschikbaar stellen op een wijze dat de verzoeker de mogelijkheid van hergebruik en machine-uitleesbaarheid heeft.

  3. Voor het verlenen van toegang tot gegevens of het uitwisselen van gegevens, bedoeld in het tweede lid, kan de transmissie- of distributiesysteembeheerder de redelijke kosten in rekening brengen bij de verzoeker.

  4. In afwijking van artikel 3.17, eerste lid, mag een transmissie- of distributiesysteembeheerder de uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, in gezamenlijkheid uitvoeren indien dit een efficiënte of effectieve openbaarmaking ten goede komt.

  5. Bij ministeriële regeling kunnen:

    1. gegevens worden aangewezen die een transmissie- of distributiesysteembeheerder in ieder geval openbaar maakt;

    2. regels worden gesteld over de wijze van en voorwaarden voor openbaarmaking.

Artikel 3.79

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  1. het melden van storingen of onregelmatigheden in het transmissie- en distributiesysteem;

  2. het indienen van klachten en het afhandelen van die klachten door de transmissie- en distributiesysteembeheerders;

  3. het faciliteren van aangeslotenen door de transmissie- en distributiesysteembeheerders bij overstappen naar andere marktdeelnemers of balanceringsverantwoordelijken, verhuizingen of in- en uithuizingen;

  4. voorzieningen die een transmissie- of distributiesysteembeheerder ter ondersteuning van het gestelde krachtens artikel 2.25 treft ten behoeve van aangeslotenen met een kleine aansluiting;

  5. de informatie die een transmissie- of distributiesysteembeheerder een aangeslotene verstrekt met het oog op het voorkomen van buitenwerkingstelling van een aansluiting als bedoeld in artikel 3.41 in geval van het faillissement of de intrekking van een vergunning, erkenning of toelating van een marktdeelnemer, balanceringsverantwoordelijke of meetverantwoordelijke partij, en de termijn waarbinnen deze informatie wordt verstrekt, in geval van intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid.

Artikel 3.80

De transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit voldoen aan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee de door deze op grond van artikel 3.118, vierde lid, bij hen in rekening gebrachte kosten.

Artikel 3.81

Een transmissiesysteembeheerder voor gas of een interconnectorsysteembeheerder voor gas informeert de Autoriteit Consument en Markt over technische overeenkomsten over interconnectoren of interconnectorsystemen voor gas met derde landen.

Artikel 3.82

Het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee omvat de systemen die bestemd zijn voor het transport van elektriciteit en die één of meer windparken op zee verbinden met het transmissiesysteem voor elektriciteit of met dit systeem en het transportsysteem voor elektriciteit van een ander land met uitzondering van leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van het transport van elektriciteit die één of meer windparken op zee verbinden met het transmissiesysteem voor elektriciteit en waarvoor voor 1 januari 2016 een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of op grond van artikel 6.5 van de Waterwet is verleend.

Artikel 3.83

  1. Onze Minister stelt een kader vast inzake de ontwikkeling van windenergie op zee en het gebruik van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee. In het ontwikkelkader wordt in ieder geval opgenomen:

    1. de locatie van één of meerdere windparken;

    2. het verwachte tijdstip van ingebruikname van ieder windpark;

    3. de verwachte levensduur van windparken;

    4. het maximale vermogen van ieder windpark;

    5. de minimale transportcapaciteit ten behoeve van ieder windpark;

    6. de wijze van elektrische ontsluiting van ieder windpark;

    7. de beoogde opleveringsdatum van onderdelen van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee;

    8. toekomstige ontwikkelingen inzake windenergie op zee en het gebruik van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee.

  2. Onze Minister kan het ontwikkelkader wijzigen of aanvullen.

  3. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee werkt het ontwikkelkader uit in het investeringsplan, bedoeld in artikel 3.85 juncto artikel 3.34, en voert zijn wettelijke taken of verplichtingen uit in overeenstemming met het ontwikkelkader.

Artikel 3.84

  1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee die krachtens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel g, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 2019/943 aan transmissiesysteembeheerders zijn opgedragen.

  2. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee stelt op zijn systeem beschikbare zoneoverschrijdende capaciteit ter beschikking.

Artikel 3.85

De artikelen 3.10, 3.11, 3.13, 3.14, 3.15, 3.17, 3.18, 3.19, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 3.20, 3.21, 3.22, 3.24, 3.25, 3.28, 3.30 tot en met 3.36, 3.49, tweede en derde lid, 3.63, 3.75, 3.76, 3.77, 3.78, 3.79, onderdelen a en b, en 3.125 zijn van overeenkomstige toepassing op de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee met dien verstande dat voor «transmissie- of distributiesysteembeheerder», «transmissiesysteembeheerder» of «distributiesysteembeheerder» telkens wordt gelezen «transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee».

Artikel 3.86

  1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee doet op verzoek een aanbod tot aanleg van een aansluiting op zijn systeem of een aanbod om een aansluiting in gebruik te geven, te beheren en te onderhouden aan:

    1. een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet windenergie op zee, overeenkomstig het ontwikkelkader windenergie op zee, bedoeld in artikel 3.83;

    2. een eindafnemer die geen elektriciteit opwekt anders dan voor eigen gebruik.

  2. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee doet op verzoek van een aangeslotene als bedoeld in het eerste lid een aanbod tot het verzorgen van transport van elektriciteit over zijn systeem.

  3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid kan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee een verzoek van een eindafnemer afwijzen indien er onvoldoende aansluit- of transportcapaciteit beschikbaar is op het dichtstbijzijnde voor aansluiting geschikte punt op zijn systeem om aan het verzoek te kunnen voldoen.

Artikel 3.87

  1. Een aangeslotene als bedoeld in artikel 3.86, eerste lid, onderdeel a, heeft recht op vergoeding van schade door de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, indien:

    1. deze transmissiesysteembeheerder het voor de ontsluiting van het windpark noodzakelijk deel van het transmissiesysteem op zee geheel of gedeeltelijk later oplevert dan in het ontwikkelkader, bedoeld in artikel 3.83, is opgenomen en de aangeslotene hierdoor geheel of gedeeltelijk geen elektriciteit kan laten transporteren;

    2. de hoeveelheid met het aangesloten windpark geproduceerde elektriciteit die in een kalenderjaar niet kan worden getransporteerd over het transmissiesysteem op zee groter is dan de hoeveelheid elektriciteit die niet kan worden getransporteerd wegens gemiddeld voor het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee redelijkerwijs noodzakelijk onderhoud en de aangeslotene hierdoor geheel of gedeeltelijk geen elektriciteit kan laten transporteren.

  2. De vergoeding van de schade bestaat uit gevolgschade en de schade ten gevolge van gederfde of uitgestelde inkomsten door het niet kunnen laten transporteren van met het aangesloten windpark geproduceerde elektriciteit, bedoeld in het eerste lid.

  3. Een aangeslotene als bedoeld in artikel 3.86, eerste lid, onderdeel a, draagt er zorg voor dat de schade zo veel mogelijk beperkt blijft.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het recht op schadevergoeding, bedoeld in het eerste lid, en de bestanddelen van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.88

  1. Een interconnectorsysteembeheerder voor elektriciteit, die een interconnectorsysteem voor elektriciteit met een lidstaat of een land dat onderdeel uitmaakt van de Europese economische ruimte beheert die krachtens artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 2019/943 of andere bindende EU-rechtshandeling op het gebied van elektriciteit aan interconnectorsysteembeheerders zijn opgedragen.

  2. Een interconnectorsysteembeheerder voor elektriciteit stelt op zijn systeem beschikbare zoneoverschrijdende capaciteit ter beschikking.

  3. Een interconnectorsysteembeheerder voor gas die krachtens artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 715/2009 of andere bindende EU-rechtshandeling op het gebied van gas aan interconnectorsysteembeheerders zijn opgedragen.

Artikel 3.89

Ten minste de helft van de aandelen in een interconnectorsysteembeheerder voor elektriciteit berusten direct of indirect bij de Staat der Nederlanden, waarbij onder indirect berusten van aandelen wordt verstaan dat de desbetreffende aandelen berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door de staat of bij een rechtspersoon die een volledige dochtermaatschappij is van één of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door de staat.

Artikel 3.90

  1. De artikelen 3.10, 3.24, 3.25, eerste lid, 3.75, onderdeel b, 3.76, 3.77 en 3.78 zijn van overeenkomstige toepassing op een interconnectorsysteembeheerder, met dien verstande dat voor «transmissie- of distributiesysteembeheerder», «transmissiesysteembeheerder» of «distributiesysteembeheerder» telkens wordt gelezen «interconnectorbeheerder».

  2. De artikelen 3.13 en 3.14, vierde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een interconnectorsysteembeheerder voor elektriciteit, met dien verstande dat voor «transmissie- of distributiesysteembeheerder» telkens wordt gelezen «interconnectorsysteembeheerder voor elektriciteit».

  3. De artikelen 3.16, 3.47, eerste lid, en 3.81 zijn van overeenkomstige toepassing op een interconnectorsysteembeheerder voor gas, met dien verstande dat voor «transmissie- of distributiesysteembeheerder» telkens wordt gelezen «interconnectorsysteembeheerder voor gas».

Artikel 3.91

Een LNG-beheerder die krachtens artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die krachtens verordening 715/2009 of andere bindende EU-rechtshandeling op het gebied van gas aan LNG-beheerders zijn opgedragen.

Artikel 3.92

Een LNG-beheerder handelt bij de uitoefening van zijn wettelijke taken of verplichtingen redelijk, transparant en niet-discriminerend.

Artikel 3.93

Een LNG-beheerder beheert, onderhoudt en ontwikkelt zijn systeem, onder economische voorwaarden, op zodanige wijze dat de veiligheid, betrouwbaarheid en doelmatigheid van dat systeem is gewaarborgd en met inachtneming van de belangen van het milieu.

Artikel 3.94

  1. Een LNG-beheerder doet op verzoek een aanbod om LNG-activiteiten of ondersteunende diensten voor gas uit te voeren.

  2. Een LNG-beheerder kan weigeren een aanbod te doen indien binnen het LNG-systeem geen capaciteit beschikbaar is voor de verzochte LNG-activiteiten of in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de verzochte capaciteit beschikbaar stelt.

  3. Een weigering als bedoeld in het tweede lid is met redenen omkleed.

  4. Met het oog op de uitvoering van het eerste en tweede lid, worden in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.122, tweede lid, in ieder geval opgenomen, voorwaarden voor:

    1. het uitvoeren van LNG-activiteiten of ondersteunende diensten voor gas; en

    2. toe te passen technische specificaties.

Artikel 3.95

  1. Een LNG-beheerder die bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, houdt die gegevens geheim tenzij enig wettelijk voorschrift anders bepaalt.

  2. Een LNG-beheerder verstrekt beheerders van andere systemen de informatie die zij nodig hebben voor een zekere en doelmatige exploitatie van de systemen en voor de naleving van hun wettelijke taken of verplichtingen.

  3. Een LNG-beheerder:

    1. verstrekt gebruikers van het LNG-systeem de informatie die zij nodig hebben voor een efficiënte toegang tot dat systeem

    2. maakt alle informatie openbaar die bijdraagt aan een doeltreffende mededinging en een efficiënte werking van de markt, voor zover deze redelijkerwijs te genereren is uit de informatie waarover de LNG-beheerder beschikt op basis van de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen.

  4. Als een LNG-beheerder gegevens over zijn bedrijfsvoering die commercieel voordeel kunnen opleveren ter beschikking stelt aan derden, stelt hij deze gegevens onder gelijke voorwaarden beschikbaar aan anderen.

  5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de informatie die een LNG-beheerder verstrekt aan systeembeheerders of gebruikers van het LNG-systeem.

Artikel 3.96

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de boekhouding van een LNG-beheerder, waaronder eisen aan de scheiding van de boekhouding voor verschillende wettelijke taken of verplichtingen.

Artikel 3.97

Een gasopslagbeheerder die krachtens artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel i, is aangewezen, is uit dien hoofde belast met de taken en verplichtingen die bij of krachtens verordening 715/2009 of andere bindende EU-rechtshandeling op het gebied van gas aan gasopslagbeheerders zijn opgedragen.

Artikel 3.98

Een gasopslagbeheerder handelt bij de uitoefening van zijn wettelijke taken of verplichtingen redelijk, transparant en niet-discriminerend.

Artikel 3.99

Een gasopslagbeheerder beheert, onderhoudt en ontwikkelt zijn systeem, op economische voorwaarden, op zodanige wijze dat de veiligheid, betrouwbaarheid en doelmatigheid is geborgd en met inachtneming van de belangen van het milieu.

Artikel 3.100

  1. Een gasopslagbeheerder onderhandelt op verzoek over toegang tot zijn gasopslagsysteem of de door hem aangeboden ondersteunende diensten als de toegang tot dat gasopslagsysteem in technische of economische zin noodzakelijk is voor een efficiënte toegang tot de gasmarkt met het oog op de levering aan aangeslotenen.

  2. De gasopslagbeheerder kan weigeren gasopslagactiviteiten en ondersteunende diensten te verrichten als binnen zijn gasopslagsysteem geen capaciteit beschikbaar is voor de gasopslagactiviteiten of in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij alle capaciteit beschikbaar stelt.

  3. Een weigering als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed.

  4. Een gasopslagbeheerder maakt een indicatie van de voorwaarden en tarieven die het bedrijf voornemens is in het volgende kalenderjaar toe te passen voor het verrichten van gasopslag en ondersteunende diensten, bekend.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

    1. de technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot het transmissie- of distributiesysteem met het oog op de levering aan aangeslotenen;

    2. de procedure voor het vaststellen van de indicatie van de tarieven en voorwaarden en de bekendmaking van de indicatie van de tarieven en voorwaarden.

Artikel 3.101

  1. Een gasopslagbeheerder die bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, houdt die gegevens geheim tenzij enig wettelijk voorschrift anders bepaalt.

  2. Een gasopslagbeheerder verstrekt beheerders van andere systemen de informatie die zij nodig hebben voor een zekere en doelmatige exploitatie van de systemen en voor de naleving van hun wettelijke taken of verplichtingen;

  3. Een gasopslagbeheerder:

    1. verstrekt gebruikers van het gasopslagsysteem de informatie die zij nodig hebben voor een efficiënte toegang tot dat systeem

    2. maakt alle informatie openbaar die bijdraagt aan een doeltreffende mededinging en een efficiënte werking van de markt, voor zover deze redelijkerwijs te genereren is uit de informatie waarover de gasopslagbeheerder beschikt op basis van de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de informatie die een gasopslagbeheerder verstrekt aan systeembeheerders of gebruikers van het gasopslagsysteem.

  5. Als een gasopslagbeheerder gegevens over zijn bedrijfsvoering die commercieel voordeel kunnen opleveren ter beschikking stelt aan derden, stelt hij deze gegevens onder gelijke voorwaarden beschikbaar aan anderen.

Artikel 3.102

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de boekhouding van een gasopslagbeheerder, waaronder eisen aan de scheiding van de boekhouding voor verschillende wettelijke taken of verplichtingen.

Artikel 3.103

  1. Als een gasopslagbeheerder tevens producent of leverancier is of deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarvan ook een producent of leverancier deel uitmaakt, en de gasopslagbeheerder krachtens artikel 3.100 verplicht is te onderhandelen over de toegang tot zijn opslagsysteem, is de gasopslagbeheerder wat betreft de rechtsvorm, organisatie en besluitvorming onafhankelijk van de activiteiten op het gebied van productie en levering.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op onafhankelijkheid van de gasopslagbeheerder, nadere regels gesteld over de rechtsvorm, de organisatie en de besluitvorming van die gasopslagbeheerder.

Artikel 3.104

  1. De artikelen 3.24, eerste en tweede lid, 3.25, eerste lid, 3.43, 3.44, 3.77, eerste en derde lid, artikel 3.79, onderdelen a tot en met c, zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten systeem, met dien verstande dat voor «transmissie- of distributiesysteembeheerder», «transmissiesysteembeheerder» of «distributiesysteembeheerder» telkens wordt gelezen «beheerder van een gesloten systeem».

  2. De artikelen 3.51, eerste lid en vierde lid, onderdeel b, en 3.57 zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten systeem, met dien verstande dat:

    1. de beheerder van een gesloten systeem alleen een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit plaatst op verzoek;

    2. het tarief voor installatie en onderhoud van de meetinrichting in rekening wordt gebracht conform artikel 3.114.

Artikel 3.105

  1. Een beheerder van een gesloten systeem kan op verzoek een aanbod doen tot aanleg of wijziging van een aansluiting op zijn systeem.

  2. Een beheerder van een gesloten systeem doet op verzoek een aanbod tot:

    1. het in gebruik geven, beheren en onderhouden van een aansluiting op zijn systeem; en

    2. het verzorgen van transport van elektriciteit of gas over zijn systeem.

  3. In afwijking van het tweede lid, kan een beheerder van een gesloten systeem weigeren een aanbod te doen, indien er redelijkerwijs onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem. De beheerder van een gesloten systeem voorziet een weigering van een deugdelijke onderbouwing.

Artikel 3.106

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder brengt voor het uitvoeren van wettelijke taken of verplichtingen bij aangeslotenen op zijn systeem, bij beheerders van transmissie- of distributiesystemen die via een systeemkoppeling zijn verbonden met zijn systeem, of, in het geval van de transmissiesysteembeheerder voor gas, bij netgebruikers tarieven in rekening:

    1. die vooraf door de Autoriteit Consument en Markt zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3.6.2;

    2. die, indien de transmissie- of distributiesysteembeheerder daartoe op grond van het tweede lid verplicht is, zijn gebaseerd op een vooraf door de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig artikel 3.112 goedgekeurde berekeningsmethode.

  2. Indien de Autoriteit Consument en Markt ten aanzien van een wettelijk taak of verplichting van oordeel is dat het niet passend of doelmatig is om voor de uitvoering daarvan vooraf een uniform tarief vast te stellen overeenkomstig paragraaf 3.6.2, bepaalt de Autoriteit Consument en Markt dat de tarieven daarvoor worden gebaseerd op een overeenkomstig artikel 3.112 door de Autoriteit Consument en Markt goedgekeurde berekeningsmethode.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    1. indien het een tijdelijke taak betreft, voor zover bij het toekennen van de tijdelijke taak is bepaald dat de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor het uitvoeren daarvan een tarief in rekening brengt bij degenen ten behoeve van wie die tijdelijke taak wordt uitgevoerd; en

    2. voor zover de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor het uitvoeren van een wettelijke taak of verplichting al op andere wijze een vergoeding ontvangt.

  4. In afwijking van het eerste lid kan een transmissie- of distributiesysteembeheerder lagere tarieven in rekening brengen dan de overeenkomstig dit artikel vastgestelde tarieven, mits deze niet-discriminerend en transparant zijn.

  5. De Autoriteit Consument en Markt publiceert een besluit als bedoeld in het tweede lid op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

Artikel 3.107

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt de door transmissie- en distributiesysteembeheerders toe te passen tarieven waarop artikel 3.106, eerste lid, van toepassing is, overeenkomstig deze paragraaf vast en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens verordening 2019/943 en verordening 715/2009 inzake tarieven.

  2. De tarieven zijn transparant, niet-discriminerend en reflecteren de kosten van de transmissie- of distributiesysteembeheerder in verband met het uitvoeren van de wettelijke taken of verplichtingen voor zover deze kosten efficiënt zijn en niet dubbel worden vergoed.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over algemene tariefbeginselen voor het onderscheiden van tarieven en toedelen van kostensoorten en het in aanmerking nemen van kostensoorten:

    1. als dit dient ter implementatie van onderdelen van richtlijn 2009/73, richtlijn 2012/27 of richtlijn 2019/944; of

    2. voor zover het Verdrag voor de werking van de Europese Unie of de kaders van de Europeesrechtelijke voorschriften inzake elektriciteit of gas daarvoor ruimte laten.

  4. De methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, omvatten ten aanzien van de tarieven in ieder geval een nadere onderscheiding van de tarieven, de toedeling van kostensoorten aan deze tarieven en de wijze waarop de kostensoorten in aanmerking worden genomen.

Artikel 3.108

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de tariefreguleringsmethode vast voor vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 3.107, eerste lid, voor onderscheidenlijk:

    1. de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit;

    2. distributiesysteembeheerders voor elektriciteit;

    3. de transmissiesysteembeheerder voor gas;

    4. distributiesysteembeheerders voor gas;

  2. De tariefreguleringsmethode strekt tot vergoeding van door de transmissie- of distributiesysteembeheerder te maken efficiënte kosten bedoeld in artikel 3.107, tweede lid, stimuleert de transmissie- of distributiesysteembeheerder tot een efficiënte bedrijfsvoering, voorziet in een rendement dat in het economisch verkeer gebruikelijk is, en waarborgt een betrouwbare, betaalbare en duurzame energievoorziening.

  3. De tariefreguleringsmethode bepaalt de wijze waarop de per jaar toegestane of beoogde inkomsten ter dekking van de efficiënte kosten, bedoeld in het tweede lid, worden vastgesteld en, ten behoeve daarvan, in ieder geval:

    1. de wijze waarop de verwachte efficiënte kosten worden vastgesteld en, indien daarbij gebruik wordt gemaakt van rekenvolumes, de wijze en het moment waarop deze rekenvolumes worden vastgesteld;

    2. het rendement dat in het economische verkeer gebruikelijk is.

  4. Bij de wijze waarop de toegestane of beoogde inkomsten worden vastgesteld als bedoeld in het derde lid, kan de Autoriteit Consument en Markt bepalen dat deze kunnen worden aangepast in verband met de geleverde kwaliteit van een wettelijke taak of verplichting.

  5. De Autoriteit Consument en Markt bepaalt de periode waarvoor de tariefreguleringsmethode geldt. Deze periode bedraagt minimaal vier en maximaal zes jaar.

Artikel 3.109

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt voorafgaand aan het eerste jaar van een reguleringsperiode als bedoeld in artikel 3.108, vijfde lid, met inachtneming van het methodebesluit voor iedere transmissie- of distributiesysteembeheerder, de voor elk jaar van de reguleringsperiode toegestane inkomsten vast of de beoogde inkomsten en rekenvolumes.

  2. De Autoriteit Consument en Markt herziet de inkomstenbesluiten indien het methodebesluit, bedoeld in het eerste lid, bij een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vernietigd of bij een onherroepelijk besluit van de Autoriteit Consument en Markt is herzien, en neemt daarbij die uitspraak of dat besluit in acht.

Artikel 3.110

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt voor iedere transmissie- of distributiesysteembeheerder, op basis van een daartoe strekkend voorstel van de transmissie- of distributiesysteembeheerder, jaarlijks de tarieven, bedoeld in artikel 3.107, eerste lid, vast met inachtneming van de nadere regels over algemene tariefbeginselen, bedoeld in artikel 3.107, derde lid.

  2. De Autoriteit Consument en Markt stelt ten behoeve van de vaststelling van de tarieven de totale toegestane of beoogde inkomsten voor de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor dat jaar vast en betrekt daarbij:

    1. de op grond van het inkomstenbesluit vastgestelde toegestane of beoogde inkomsten voor dat jaar;

    2. de rekenvolumes, indien het methodebesluit bepaalt dat deze bij de jaarlijkse vaststelling van de tarieven worden vastgesteld.

  3. Ten behoeve van de vaststelling van de totale toegestane of beoogde inkomsten, bedoeld in het tweede lid, overweegt de Autoriteit Consument en Markt of het passend is om daarbij tevens te betrekken:

    1. de relatieve wijziging van de consumentenprijsindex;

    2. de voor dat jaar geschatte kosten voor de uitvoering van taken of verplichtingen als bedoeld in artikel 3.106, eerste lid, aanhef en onderdeel a, waarmee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van het methodebesluit, voor zover deze kosten efficiënt zijn;

    3. de voorafgaand aan dat jaar gemaakte kosten voor de uitvoering van de taak bedoeld in artikel 3.27, of een verplichting krachtens artikel 3.8, derde lid, onderdeel b, waarmee geen rekening is gehouden in het methodebesluit, voor zover deze kosten efficiënt zijn;

    4. de voor dat jaar geschatte vermogenskosten voor investeringen die nog niet in gebruik zijn genomen en waarvoor gelet op artikel 6.1 een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is vastgesteld door Onze Minister, voor zover deze kosten efficiënt zijn;

    5. de voor dat jaar geschatte kosten voor investeringen die in dat jaar in gebruik zijn of worden genomen en waarvoor gelet op artikel 6.1 een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is genomen, voor zover deze kosten efficiënt zijn.

  4. De Autoriteit Consument en Markt betrekt bij het vaststellen van de tarieven correcties met betrekking tot:

    1. tarieven uit voorgaande jaren die zijn gewijzigd bij rechterlijke uitspraak of door herziening van een besluit door de Autoriteit Consument en Markt;

    2. tarieven uit voorgaande jaren die zijn vastgesteld met inachtneming van een methodebesluit of inkomstenbesluit dat bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vernietigd of bij onherroepelijk besluit van de Autoriteit Consument en Markt is herzien, op basis van een herziene vaststelling van deze tarieven met inachtneming van die rechterlijke uitspraak of dat besluit en het verdisconteren van het verschil.

  5. De Autoriteit Consument en Markt kan bij het vaststellen van de totale toegestane of beoogde inkomsten, bedoeld in het tweede lid, of de tarieven correcties betrekken voor:

    1. verschillen tussen vastgestelde rekenvolumes en gerealiseerde volumes;

    2. verschillen tussen vastgestelde toegestane of beoogde inkomsten en gerealiseerde inkomsten;

    3. toegestane of beoogde inkomsten of tarieven die:

      1. zijn of worden vastgesteld met inachtneming van onjuiste of onvolledige gegevens en de Autoriteit Consument en Markt, bij beschikking over juiste of volledige gegevens, andere tarieven zou hebben vastgesteld;

      2. zijn of worden vastgesteld met gebruikmaking van geschatte gegevens en de feitelijke gegevens daarvan afwijken;

      3. zijn of worden vastgesteld met gebruikmaking van gegevens omtrent kosten voor wettelijke taken of verplichtingen, die de systeembeheerder niet heeft uitgevoerd of waarvoor de systeembeheerder geen of minder kosten heeft gemaakt.

  6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    1. het indienen van een voorstel voor de tarieven door de transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in het eerste lid;

    2. de procedure en wijze van besluitvorming door de Autoriteit Consument en Markt bij ontbreken van een voorstel van de transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in eerste lid.

Artikel 3.111

  1. De op grond van artikel 3.110 vastgestelde tarieven treden in werking op een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen datum en gelden tot 1 januari van het volgende jaar.

  2. Indien op 1 januari de tarieven voor dat jaar nog niet zijn vastgesteld en in werking getreden, gelden de tarieven uit het voorgaande jaar tot de datum van inwerkingtreding van de tarieven voor dat jaar.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder publiceert zijn tarieven op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

Artikel 3.112

  1. De transmissie- en distributiesysteembeheerders stellen voor de tarieven, bedoeld in artikel 3.106, tweede lid een voorstel voor de berekeningsmethode op en leggen dit ter goedkeuring voor aan de Autoriteit Consument en Markt. Per transmissie- of distributiesysteembeheerder of soort transmissie- of distributiesysteembeheerder kan een afzonderlijk voorstel voor de berekeningsmethode worden opgesteld.

  2. De Autoriteit Consument en Markt keurt de berekeningsmethode die ingevolge het eerste lid aan haar wordt voorgelegd goed indien deze:

    1. leidt tot tarieven die transparant zijn, niet discrimineren en de werkelijke kosten van de transmissie- of distributiesysteembeheerder in verband met het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 3.106, tweede lid, reflecteren, voor zover deze kosten efficiënt zijn; en

    2. dubbele vergoeding van kosten vermijdt.

  3. De Autoriteit Consument en Markt past afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toe bij de voorbereiding van de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid.

  4. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder publiceert de voor hem geldende door de Autoriteit Consument en Markt op grond van het tweede lid goedgekeurde berekeningsmethoden op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

  5. De Autoriteit Consument en Markt bepaalt dat de transmissie- of distributiesysteembeheerder een door hem op grond van artikel 3.106, eerste lid, onderdeel b, in rekening gebracht tarief aanpast, indien de Autoriteit Consument en Markt naar aanleiding van een klacht als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, vaststelt dat dit tarief niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.113

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt jaarlijks het tarief voor het uitvoeren van een tijdelijke taak vast op basis van een daartoe strekkend voorstel van de transmissie- of distributiesysteembeheerder, indien bij het toekennen van die tijdelijke taak is bepaald dat voor het uitvoeren daarvan een tarief in rekening wordt gebracht bij de aangeslotenen of, in het geval van de transmissiesysteembeheerder voor gas, de netgebruiker, ten behoeve van wie de tijdelijke taak wordt uitgevoerd.

  2. De tarieven zijn transparant, niet-discriminerend en reflecteren de kosten van de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor het uitvoeren van de tijdelijke taak, voor zover deze efficiënt zijn en niet kunnen worden toegerekend aan andere aan die transmissie- of distributiesysteembeheerder opgedragen wettelijke taken of verplichtingen.

  3. Artikel 3.110, vierde lid, en vijfde lid, onderdeel c, zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    1. de procedure voor het indienen van een voorstel voor de tarieven door de transmissie- of distributiesysteembeheerder;

    2. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit neemt; en

    3. de inwerkingtreding van de tarieven.

  5. De transmissie- of distributiesysteembeheerder publiceert het op grond van het eerste lid vastgestelde tarief op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

Artikel 3.114

  1. Een beheerder van een gesloten systeem brengt voor het uitvoeren van de bij of krachtens paragraaf 3.5.5 aan hem opgedragen taken of verplichtingen bij aangeslotenen op zijn systeem een tarief in rekening dat is vastgesteld met inachtneming van een vooraf door hem opgestelde en bekendgemaakte berekeningsmethode, die leidt tot tarieven die de kosten in verband met de uitvoering van zijn taken of verplichtingen reflecteren en transparant en niet-discriminerend zijn.

  2. De Autoriteit Consument en Markt bepaalt dat een beheerder van een gesloten systeem

    de door hem toegepaste berekeningsmethode of een door hem in rekening gebracht tarief aanpast, indien de Autoriteit Consument en Markt naar aanleiding van een klacht als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, vaststelt dat deze berekeningsmethode of dit tarief niet in overeenstemming is met de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.115

  1. Een LNG-beheerder brengt voor het uitvoeren van de bij of krachtens paragraaf 3.5.3 aan hem opgedragen taken of verplichtingen een tarief in rekening dat is vastgesteld met inachtneming van een vooraf door de Autoriteit Consument en Markt goedgekeurde berekeningsmethode.

  2. De Autoriteit Consument en Markt keurt de berekeningsmethode goed indien deze objectieve criteria hanteert en leidt tot tarieven die niet-discriminerend en transparant zijn.

  3. De LNG-beheerder publiceert de goedgekeurde berekeningsmethode en de met inachtneming daarvan vastgestelde tarieven voorafgaand aan de inwerkingtreding daarvan op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

  4. De Autoriteit Consument en Markt bepaalt dat een LNG-beheerder een door hem op grond van het eerste lid in rekening gebracht tarief aanpast, indien de Autoriteit Consument en Markt naar aanleiding van een klacht als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, vaststelt dat dit tarief niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in het tweede lid.

  5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de procedure en termijn voor:

    1. het ter goedkeuring voorleggen van een voorstel voor een berekeningsmethode aan de Autoriteit Consument en Markt; en

    2. goedkeuring door de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.116

Een interconnectorsysteembeheerder brengt voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 3.88 en 3.90 tarieven in rekening, waarbij artikel 3.106, paragraaf 3.6.2 en artikel 3.112 van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor transmissie- of distributiesysteembeheerder of «transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit» steeds wordt gelezen «interconnectorsysteembeheerder».

Artikel 3.117

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee brengt tarieven in rekening, waarbij artikel 3.106, paragraaf 3.6.2 en artikel 3.112 van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor «transmissie- of distributiesysteembeheerder» of «transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit» steeds wordt gelezen «transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee», voor het uitvoeren van:

  1. de taak, bedoeld in artikel 3.86, eerste lid, onderdeel a; en

  2. de taak bedoeld in artikel 3.86, eerste, onderdeel b, en tweede lid, indien deze taak wordt uitgevoerd ten behoeve van aangeslotenen als bedoeld in artikel 3.86, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3.118

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt de vergoeding vast voor het uitvoeren van de bij of krachtens paragraaf 3.5.1 aan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee opgedragen taken of verplichtingen, met uitzondering van de taken bedoeld in artikel 3.117.

  2. De artikelen 3.108, 3.109 en 3.110 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    1. voor «transmissie- of distributiesysteembeheerder» of «transmissie- en distributiesysteembeheerders» of «de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit» steeds wordt gelezen «de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee»;

    2. voor «toegestane of beoogde inkomsten» steeds wordt gelezen «toegestane vergoeding»;

    3. voor «tarieven» steeds wordt gelezen «de voor een jaar totale toegestane vergoeding»; en

    4. bij de vaststelling van de voor een jaar totale toegestane vergoeding geen nadere onderscheiding en opbouw daarvan, conform artikel 3.107, derde lid, in acht behoeft te worden genomen.

  3. Indien de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee schade heeft moeten vergoeden op grond van artikel 3.87 verdisconteert de Autoriteit Consument en Markt het aan schadevergoeding betaalde bedrag in de voor een jaar totale toegestane vergoeding. Indien sprake is van grove nalatigheid van de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, verdisconteert de Autoriteit Consument en Markt enkel het in een jaar aan schadevergoeding betaalde bedrag in de voor dat jaar totale toegestane of beoogde vergoeding voor zover dit het bedrag van € 10 miljoen overstijgt.

  4. Voor zover de op grond van het tweede lid voor een jaar vastgestelde totale toegestane vergoeding niet wordt gedekt door de subsidie, bedoeld in artikel 5.14, of ontvangsten uit procedures voor het ter beschikking stellen van zoneoverschrijdende capaciteit of congestiebeheer brengt de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee het restant in rekening bij de transmissie- of distributiesysteembeheerders voor elektriciteit volgens een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen verdeling.

Artikel 3.119

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee past bij de uitvoering van wettelijke taken of verplichtingen met betrekking tot aansluiten op en transporteren van elektriciteit of gas over het systeem, ter beschikking stellen van op het systeem beschikbare zoneoverschrijdende capaciteit, meten, balanceren en inkopen van ondersteunende diensten of congestiebeheers- of systeembeheersdiensten, methoden of voorwaarden toe die vooraf zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig artikel 3.121, eerste lid.

  2. Op een overeenkomst tussen een transmissie- of distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee en een aangeslotene, netgebruiker, marktdeelnemer of balanceringsverantwoordelijke, zijn de door de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig artikel 3.121 goedgekeurde methoden of voorwaarden en de methoden of voorwaarden waarover Acer krachtens artikel 5 van verordening 2019/942 een besluit heeft genomen, alsmede de rechtstreeks bij of krachtens verordening 715/2009 of verordening 2019/943 geldende methoden of voorwaarden van toepassing. Elk beding strijdig met die methoden of voorwaarden is nietig.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee publiceert op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze:

    1. de door de Autoriteit Consument en Markt goedgekeurde methoden of voorwaarden;

    2. de vindplaats van de methoden of voorwaarden waarover Acer krachtens artikel 5 van verordening 2019/942 een besluit heeft genomen; en

    3. de vindplaats van rechtstreeks bij of krachtens verordening 715/2009 of verordening 2019/943 geldende methoden of voorwaarden.

Artikel 3.120

  1. Elke transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit en, voor zover relevant, de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, en elke transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas draagt zorg voor de totstandkoming van een gezamenlijk voorstel voor of aanvulling of wijziging van methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119, en het ter goedkeuring voorleggen daarvan aan de Autoriteit Consument en Markt.

  2. Bij de totstandkoming van het voorstel voeren de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit, voor zover relevant met de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor gas, in ieder geval overleg met de ten aanzien van het voorstel relevante representatieve organisaties van aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken in een transparant en participatief proces en verwerkt de resultaten hiervan in het voorstel.

  3. Indien de Autoriteit Consument en Markt dat noodzakelijk acht kan zij:

    1. de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit, in voorkomend geval met de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor gas, opdragen een gezamenlijk voorstel als bedoeld in het eerste lid op te stellen;

    2. uit eigen beweging een ontwerp voor of aanvulling of wijziging van methoden of voorwaarden opstellen, waarbij de Autoriteit Consument en Markt de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit en, voor zover relevant, de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor gas, alsmede representatieve organisaties van aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken betrekt in een transparant en participatief proces.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    1. de procedure voor de totstandkoming van een voorstel als bedoeld in het eerste of derde lid;

    2. de inhoud en onderbouwing van een voorstel als bedoeld in het eerste of derde lid.

Artikel 3.121

  1. De Autoriteit Consument en Markt keurt de methoden of voorwaarden die ingevolge artikel 3.120 aan haar worden voorgelegd goed indien de resultaten van het overleg met de representatieve organisaties, bedoeld in artikel 3.120, tweede lid, zijn verwerkt in de methoden of voorwaarden en deze methoden of voorwaarden objectief, evenredig, transparant, niet discriminerend, in overeenstemming zijn met deze wet en met bindende EU-rechtshandelingen, en de volgende belangen dienen:

    1. waarborging van de interoperabiliteit van systemen;

    2. het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieu hygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteits- en gasvoorziening;

    3. de bevordering van de ontwikkeling van het handelsverkeer op de elektriciteits- en gasmarkt;

    4. de bevordering van het doelmatig handelen van aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers of balanceringsverantwoordelijken;

    5. een goede kwaliteit van de dienstverlening van transmissie- en distributiesysteembeheerders of de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee;

    6. een objectieve, transparante en niet discriminatoire handhaving van de balans op transmissie- of distributiesystemen op een wijze die de kosten weerspiegelt; en

    7. niet-discriminatoire deelname van alle netgebruikers, marktdeelnemers of balanceringsverantwoordelijken.

  2. De Autoriteit Consument en Markt keurt de methoden of voorwaarden waarvoor ingevolge een krachtens verordening 715/2009 of verordening 2019/943 vastgestelde uitvoeringshandeling of gedelegeerde handeling door een transmissie- of distributiesysteembeheerder, de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee of een derde partij een voorstel is opgesteld en aan haar wordt voorgelegd, goed indien deze in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens verordening 715/2009 of verordening 2019/943.

  3. De Autoriteit Consument en Markt kan vereisen dat de aan haar voorgelegde methoden of voorwaarden worden gewijzigd voordat zij deze goedkeurt en kan hiervoor aanwijzingen geven.

  4. Indien de Autoriteit Consument en Markt ingevolge artikel 3.120, derde lid, onderdeel b, uit eigen beweging een ontwerp voor methoden of voorwaarden heeft opgesteld kan zij deze vaststellen. De aldus vastgestelde methoden of voorwaarden gelden vervolgens als goedgekeurde methoden of voorwaarden als bedoeld in artikel 3.119, eerste lid.

  5. De Autoriteit Consument en Markt publiceert een op grond van dit artikel genomen besluit op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

  6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor de goedkeuring van de methoden en voorwaarden.

Artikel 3.122

  1. Een interconnectorsysteembeheerder past bij de uitvoering van de bij of krachtens paragraaf 3.5.2 aan hem opgedragen taken of verplichtingen methoden of voorwaarden toe die vooraf zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig artikel 3.123.

  2. Een LNG-beheerder past bij de uitvoering van de bij of krachtens paragraaf 3.5.3 aan hem opgedragen taken of verplichtingen, methoden of voorwaarden toe die vooraf zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig artikel 3.123.

  3. Artikel 3.119, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.123

  1. De Autoriteit Consument en Markt keurt de methoden of voorwaarden van een interconnectorsysteembeheerder, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, op basis van een daartoe strekkend voorstel van de betreffende interconnectorsysteembeheerder goed indien deze in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens verordening 715/2009, verordening 2019/943 of andere bindende EU-rechtshandelingen.

  2. De Autoriteit Consument en Markt keurt de methoden of voorwaarden van een LNG-beheerder, bedoeld in artikel 3.122, tweede lid, op basis van een daartoe strekkend voorstel van de betreffende LNG-beheerder goed indien deze redelijk, transparant en niet discriminerend zijn en in overeenstemming zijn met deze wet en bindende EU-rechtshandelingen.

  3. De Autoriteit Consument en Markt kan vereisen dat de aan haar voorgelegde methoden of voorwaarden worden gewijzigd voordat zij deze goedkeurt en kan hiervoor aanwijzingen geven.

  4. De Autoriteit Consument en Markt publiceert een op grond van dit artikel genomen besluit op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

  5. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de methoden of voorwaarden van de LNG-beheerder, bedoeld in het tweede lid, nadere regels worden gesteld over de procedure tot goedkeuring van de methoden of voorwaarden en de publicatie en inwerkingtreding van de methoden of voorwaarden.

Artikel 3.124

  1. De Autoriteit Consument en Markt kan op verzoek voor een in de ontheffing te bepalen periode ontheffing verlenen van artikel 3.119, eerste lid, indien onverkorte toepassing daarvan naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt in het voorliggende geval ongewenste gevolgen heeft en de vereisten en belangen, bedoeld in artikel 3.121, eerste lid, zich daar niet tegen verzetten.

  2. Artikel 3.119, tweede lid, is niet van toepassing voor zover een ontheffing is verleend.

  3. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen verbinden aan de ontheffing en kan de ontheffing of de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen wijzigen.

  4. De Autoriteit Consument en Markt kan de ontheffing intrekken, indien:

    1. de houder van de ontheffing hierom verzoekt;

    2. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt;

    3. de houder van de ontheffing bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

    4. zij, gelet op de vereisten en belangen, bedoeld in artikel 3.121, eerste lid, van oordeel is dat intrekking van de ontheffing noodzakelijk is.

  5. De Autoriteit Consument en Markt publiceert een op grond van dit artikel genomen besluit op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

Artikel 3.125

  1. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder, een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, een interconnectorsysteembeheerder of een LNG-beheerder bij het sluiten van overeenkomsten algemene voorwaarden toepast waarop artikel 3.119, eerste lid, of artikel 3.122 niet van toepassing is, zijn deze redelijk, transparant en niet-discriminerend.

  2. De artikelen 236 en 237 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op algemene voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, in een overeenkomst tussen een distributiesysteembeheerder en een aangeslotene met een kleine aansluiting die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Artikel 3.126

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

  1. de informatie die ten minste in een aansluitovereenkomst of transportovereenkomst tussen een distributiesysteembeheerder en een aangeslotene met een kleine aansluiting moet zijn opgenomen;

  2. de documenten en informatie die een distributiesysteembeheerder aan een leverancier als bedoeld in de artikelen 2.27 en 2.28 verstrekt ten behoeve van de naleving van die artikelen.

Artikel 3.127

Onze Minister beslist, nadat de Autoriteit Consument en Markt, of in voorkomend geval, Acer, hierover advies heeft uitgebracht, op een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 63 van verordening 2019/943.

Artikel 3.128

  1. Onze Minister kan voor een nieuw interconnectorsysteem voor gas op verzoek ontheffing verlenen van de artikelen 3.1, eerste lid, onderdeel a, en 3.2, eerste lid, onderdeel d, voor wat betreft het vereiste dat het interconnectorsysteem direct of indirect in eigendom moet zijn van de rechtspersoon die aanwijzing verzoekt, artikel 3.90, eerste lid, ten aanzien van het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 3.10, artikel 3.90, derde lid, ten aanzien van het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 3.47, eerste lid, en artikel 3.122, eerste lid, voor een in de ontheffing te bepalen periode, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    1. de aanleg van het interconnectorsysteem versterkt de mededinging bij de levering van gas en de leveringszekerheid;

    2. het risico van de investering nodig voor de aanleg van het interconnectorsysteem is zo groot dat de aanleg niet zal plaatsvinden als geen ontheffing wordt verleend;

    3. de eigendom van het interconnectorsysteem berust bij een ander dan de beheerder van het transmissiesysteem voor gas waarop de nieuw interconnectorsysteem zal worden aangesloten,

    4. de gebruikers van het interconnectorsysteem wordt een tarief in rekening gebracht; en

    5. de ontheffing belemmert niet de mededinging op of de doelmatige werking van de interne gasmarkt of de doelmatige werking van het transmissiesysteem voor gas waarop de nieuw interconnectorsysteem wordt aangesloten.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanmerkelijke uitbreidingen van de capaciteit van bestaande interconnectorsystemen en op wijzigingen van de interconnectorsystemen die de ontwikkeling van nieuwe bronnen van gasvoorziening bevorderen.

Artikel 3.129

  1. Onze Minister kan voor een nieuw LNG-systeem of gasopslagsysteem op verzoek een ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.94, eerste en vierde lid, 3.100, eerste en vierde lid, 3.103, 3.115, 3.122, tweede lid, voor een in de ontheffing bepaalde periode, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    1. de aanleg van het LNG-systeem of het gasopslagsysteem versterkt de mededinging bij de levering van gas en de leveringszekerheid;

    2. het risico van de investering nodig voor de aanleg van het LNG-systeem of het gasopslagsysteem is zo groot dat de aanleg niet zal plaatsvinden als geen ontheffing wordt verleend;

    3. de eigendom van het LNG-systeem of het gasopslagsysteem berust bij een ander dan de beheerder van het transmissiesysteem voor gas waarop het nieuwe LNG-systeem of opslagsysteem zal worden aangesloten;

    4. de gebruikers van het LNG-systeem of het gasopslagsysteem wordt een tarief in rekening gebracht; en

    5. de ontheffing belemmert niet de mededinging op of de doelmatige werking van de interne gasmarkt of de doelmatige werking van het transmissiesysteem voor gas waarop het nieuwe LNG-systeem of gasopslagsysteem wordt aangesloten.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanmerkelijke uitbreidingen van de capaciteit van een bestaand LNG-systeem of opslagsysteem en op een wijziging van een bestaand LNG-systeem of opslagsysteem die de ontwikkeling van nieuwe bronnen van gasvoorziening bevorderen.

  3. De ontheffing kan betrekking hebben op het gehele nieuwe systeem onderscheidenlijk de aanmerkelijke uitbreiding of wijziging van een bestaand systeem dan wel op gedeelten daarvan.

Artikel 3.130

  1. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.128, eerste lid, of artikel 3.129, eerste lid, maar uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

  2. Indien de aanvraag voor een ontheffing betrekking heeft op een interconnectorsysteem voor gas, wordt de termijn voor het nemen van een besluit gerekend vanaf de datum waarop de laatste van de uit de landen betrokken regulerende instantie een verzoek om ontheffing heeft ontvangen en kan Onze Minister het nemen van een besluit ten hoogste eenmaal met een periode van drie maanden verlengen indien Acer met de verlenging heeft ingestemd.

  3. Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een ontheffing.

  4. Onze Minister verbindt ten minste voorschriften aan de ontheffing, bedoeld in artikel 3.128, eerste lid, of artikel 3.129, eerste lid, met betrekking tot de niet-discriminerende toegang tot het interconnectorsyteem, het LNG-systeem of gasopslagsysteem, onder andere over de mechanismen voor het beheer of de toewijzing van capaciteit.

  5. Onze Minister zendt het besluit, bedoeld in het eerste lid, en alle relevante gegevens onverwijld aan de Europese Commissie.

  6. Indien twee jaar na inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, de bouw van de infrastructuur nog niet van start is gegaan of wanneer vijf jaar na inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, de infrastructuur nog niet openbaar is geworden, vervalt de ontheffing.

  7. In afwijking van het zesde lid wordt de van toepassing zijnde vervaltermijn als bedoeld in het zesde lid, opgeschort indien een houder van de ontheffing ten minste drie maanden voor afloop van die vervaltermijn, bedoeld in het zesde lid, Onze Minister verzoekt om vast te stellen dat de vertraging het gevolg is van grote hindernissen die buiten de macht liggen van de houder van de ontheffing, totdat Onze Minister op dat verzoek heeft beslist.

  8. In afwijking van het zesde lid vervalt de ontheffing niet indien Onze Minister het verzoek, bedoeld in het zevende lid, toewijst.

  9. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

    1. de inhoud van en de procedure voor de besluiten, bedoeld in het eerste en zevende lid, waaronder de inhoud van en de procedure voor de kennisgeving, bedoeld in het vijfde lid;

    2. de voorschriften die aan de ontheffing kunnen worden verbonden;

    3. de bekendmaking en inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid.

  10. In afwijking van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan op de dag van inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in het eerste lid.

← terug naar Energiewet