1. De tarieven voor het in gebruik geven en beheren van een meetinrichting, als bedoeld in artikel 3.51, worden vastgesteld op basis van artikel 40a van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 81e, tweede lid, van de Gaswet en de krachtens deze artikelen vastgestelde Regeling meettarieven, zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, tot het moment waarop voor de eerste maal na inwerkingtreding van deze wet de op grond van artikel 3.110 vastgestelde tarieven in werking treden.

  2. Voor het vaststellen van de tarieven voor het in gebruik geven en beheren van een meetinrichting, als bedoeld in artikel 3.51, betrekt de Autoriteit Consument en Markt bij de toepassing van artikel 3.110, tweede lid, de verschillen die de Autoriteit Consument en Markt vanaf 2011 jaarlijks heeft vastgesteld op basis van artikel 4a van de Regeling meettarieven zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

  3. De cumulatieve verschillen, bedoeld in het tweede lid, worden over een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode gebruikt om de totale toegestane of beoogde inkomsten en de tarieven voor het in gebruik geven en beheren van een meetinrichting, als bedoeld in artikel 3.51, te corrigeren.