1. Het beheer van een systeem met een spanningsniveau van 110 kilovolt of van 150 kilovolt door een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit geschiedt voor zover dat, en op een wijze die, in overeenstemming is met de rechten van derden die voortvloeien uit een overeenkomst als bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614) met betrekking tot dat systeem.

  2. Als ingevolge een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, een ander dan een systeembeheerder voor elektriciteit over de eigendom van een systeem beschikt, behoeft, in afwijking van artikel 3.14, de systeembeheerder voor elektriciteit niet over de eigendom van dat systeem te beschikken.

  3. Indien sprake is van een aansluitpunt als bedoeld in de Gaswet zoals die luidde voor 1 januari 2019 behoeft, in afwijking van artikel 3.14, de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas niet over de eigendom te beschikken van de aansluitleiding achter het aansluitpunt.

  4. De transmissiesysteembeheerder voor gas behoeft, in afwijking van artikel 3.14, niet over de eigendom te beschikken van een aansluitleiding en daarmee verbonden hulpmiddelen die een buiten Nederland gelegen gasopslagsysteem verbindt met het transmissiesysteem voor gas indien hij onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel 3.14 niet over de eigendom van deze aansluitleiding en daarmee verbonden hulpmiddelen beschikte.