1. Een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit die voor inwerkingtreding van deze wet aan een aangeslotene met een kleine aansluiting ter beschikking is gesteld en die niet of niet geheel voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of de krachtens artikel 42a, eerste lid, van de Gaswet gestelde eisen zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt voor 15 jaren, te rekenen vanaf de datum van terbeschikkingstelling aan die aangeslotene aangemerkt als een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen.

  2. Een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit die voor inwerkingtreding van deze wet aan een aangeslotene met een kleine aansluiting ter beschikking is gesteld en die tenminste voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of de krachtens artikel 42a, eerste lid, van de Gaswet gestelde eisen zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen.