1. Een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit waarover een aangeslotene als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, voor inwerkingtreding van artikel 2.46 beschikt, wordt tot 1 januari 2028 aangemerkt als een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen.

  2. Zodra een aangeslotene als bedoeld in het eerste lid beschikt over een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen:

    1. maakt hij gebruik van de communicatiefunctionaliteit van die meetinrichting; en

    2. verzamelt een erkende meetverantwoordelijke partij bij deze aangeslotene uiterlijk op 1 januari 2028 de meetgegevens met de krachtens artikel 2.48, tweede lid, vastgestelde frequentie.