1. Indien voor inwerkingtreding van artikel 2.46 een aangeslotene met grote aansluiting met een gecontracteerd vermogen van minder dan 0,1 MW, met uitzondering van een aangeslotene als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, beschikt over een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit die voldoet aan de krachtens artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 gestelde voorwaarden zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel 2.46, mag een aangeslotene deze meetinrichting tot en met 31 december 2025 gebruiken.

  2. Indien voor inwerkingtreding van artikel 3.55, eerste lid, bij een systeemkoppeling tussen een distributiesysteem en een transmissiesysteem voor elektriciteit op grond van de krachtens artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 gestelde voorwaarden zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel 3.55, eerste lid, geen meetinrichting is vereist, beschikt deze systeemkoppeling uiterlijk op 31 december 2029 over een geïnstalleerde meetinrichting.