1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van EU-verordeningen krachtens artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van onderdelen van bindende EU-rechtshandelingen, vastgesteld krachtens richtlijn 2009/73, richtlijn 2019/944, verordening 715/2009 en verordening 2019/943.

  3. Hetgeen ingevolge deze wet bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, kan in afwijking daarvan bij ministeriële regeling worden geregeld, indien de regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een bindende EU-rechtshandeling.

  4. Een wijziging van een bindende EU-rechtshandeling waarnaar in voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet, wordt verwezen, gaat voor de toepassing van die voorschriften gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven dan wel bij gebreke daarvan, de dag waarop die wijziging is vastgesteld.

  5. Onze Minister kan besluiten dat een wijziging als bedoeld in het vierde lid in afwijking van dat lid op een eerder tijdstip gaat gelden. Dit besluit wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

  6. Indien een bindende EU-rechtshandeling waarnaar in deze wet of de daarop berustende bepalingen wordt verwezen, in het kader van hercodificatie wordt ingetrokken en vervangen door een nieuwe bindende EU-rechtshandeling, kunnen bij ministeriële regeling de verwijzingen naar de ingetrokken bindende EU-rechtshandeling worden vervangen door verwijzingen naar de nieuwe bindende EU-rechtshandeling.