1. Werken met een nationaal belang waarvoor Onze Minister in ieder geval een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet vaststelt, zijn de volgende projecten:

    1. de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een systeem, met een capaciteit van ten minste 100 MW, indien het betreft een windpark op land;

    2. de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een systeem, met een capaciteit van ten minste 100 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van zonne-energie;

    3. de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een systeem, met een capaciteit van ten minste 50 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit anders dan met behulp van windenergie of zonne-energie;

    4. de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van andere dan duurzame elektriciteit, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een systeem, indien die productie-installatie een capaciteit heeft of zal krijgen van ten minste 500 MW;

    5. een project van gemeenschappelijk belang als bedoeld in artikel 2, onderdeel 5, van verordening 2022/869 of van wederzijds belang, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van verordening 2022/869;

    6. de aanleg of uitbreiding van een interconnectorsysteem;

    7. een uitbreiding van het transmissiesysteem voor elektriciteit voor zover het betreft delen van het systeem voor het transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 220 kilovolt of hoger;

    8. de aanleg of uitbreiding van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee;

    9. een uitbreiding van het transmissiesysteem voor gas, voor zover het betreft de van dat systeem deel uitmakende leidingen met een druk van ten minste 40 bar en een diameter van ten minste 45,7 centimeter;

    10. de aanleg of uitbreiding van een LNG-systeem met een jaarlijkse hervergassingscapaciteit van ten minste 4 miljard m3 gas, met inbegrip van de aansluiting van dat systeem op een transmissie- of distributiesysteem voor gas; en

    11. de aanleg van een productie-installatie voor waterstofgas met behulp van elektrolyse met een bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen minimale capaciteit en voor de bij die regeling te bepalen gevallen, met inbegrip van de aansluiting op leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van transport van waterstofgas of een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit.

  2. Artikel 16.7 van de Omgevingswet is van toepassing op de coördinatie van besluiten ter uitvoering van projectbesluiten als bedoeld in het eerste lid.

  3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister besluiten geen projectbesluit vast te stellen als naar zijn oordeel besluitvorming door een bestuursorgaan van een gemeente of van een provincie het project kan versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, en het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente respectievelijk gedeputeerde staten van de betreffende provincie daarmee instemmen.

  4. Onze Minister geeft tegelijk met of zo snel mogelijk na de bekendmaking van een besluit als bedoeld in het derde lid kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet mededeling van dat besluit door toezending daarvan aan de initiatiefnemer.

  5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing als een besluit als bedoeld in het derde lid wordt ingetrokken.

  6. Voor projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, stelt Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, een handleiding vast als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening, genoemd in dat onderdeel.