1. Indien Onze Minister vaststelt dat een transmissie- of distributiesysteembeheerder niet meer voldoet aan de eisen om te worden aangewezen, kan hij de desbetreffende beheerder opdragen door hem noodzakelijk geachte voorzieningen te treffen.

  2. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder niet voldoet aan een opdracht als bedoeld in het eerste lid, indien Onze Minister vaststelt dat opdrachten, bedoeld in artikel 5.8, tweede lid, niet worden uitgevoerd of indien naar zijn oordeel door de bedrijfsvoering van deze beheerder de continuïteit of de betrouwbaarheid van de elektriciteits- of gasvoorziening in gevaar komt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, kan Onze Minister de aanwijzing van de desbetreffende beheerder vervallen verklaren en uiterlijk op de dag waarop die aanwijzing vervalt een andere rechtspersoon als transmissie- of distributiesysteembeheerder aanwijzen.