1. De Autoriteit Consument en Markt of Onze Minister kan, indien deze belast is met het toezicht op de naleving van deze artikelen, de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen in geval van overtreding van:

    1. het bepaalde bij of krachtens de artikelen:

      1. 2.7, 2.8, 2.9, 2.14, 2.18, vijfde lid, onderdeel c, 2.21, eerste en tweede lid, 2.23, 2.27, eerste, vierde en vijfde lid, 2.28, 2.29, 2.32, eerste en tweede lid, 2.35, 2.36, 2.40, 2.45, 2.49, 2.50, zesde lid, onderdeel c, 2.52, 2.59, 2.61, tweede lid, onderdelen a, c tot en met f, 2.62, eerste en tweede lid, 2.63, eerste en tweede lid, 2.65, zesde lid en 2.67;

      2. 3.4, vierde lid, 3.9, tweede en derde lid, 3.16, 3.27, eerste, derde en vijfde lid, onderdelen b en d, 3.45, 3.50, vierde lid, 3.52, 3.53, derde lid, 3.61, 3.63, 3.66, 3.69, 3.72, derde en vijfde lid, 3.76, 3.79, 3.81, 3.100, vijfde lid, onderdeel b, 3.111, derde lid, 3.112, vierde lid, 3.113, vijfde lid, 3.115, derde lid, 3.119, derde lid3.122, derde lid, voor zover het een overtreding van artikel 3.119, derde lid betreft, 3.123, vijfde lid, 3.126, aanhef en onderdeel b;

      3. 4.2, eerste en derde lid, 4.3, eerste, derde en vierde lid, 4.4, eerste, tweede en vierde lid, 4.13, 4.23;

      4. 5.22, eerste en tweede lid, 5.23, 5.26, tweede lid;

      5. 8, 9 en 15 van verordening 1227/2011;

    2. de in de artikelen 3.85, 3.90, eerste tot en met derde lid, en 3.104 genoemde artikelen, voor zover de daar genoemde artikelen zijn opgenomen in onderdeel a;

    3. het bepaalde bij of krachtens de artikelen:

      1. 2.3, eerste lid, 2.5, 2.6, 2.12, 2.13, 2.15, 2.16, 2.17, eerste lid, 2.18, eerste, tweede en vijfde lid, onderdelen a en b, 2.21, vierde lid, 2.22, 2.24, 2.25, eerste, derde en vierde lid, 2.26, 2.31, eerste tot en met derde en vijfde lid, 2.34, 2.38, 2.39, 2.41, eerste tot en met vierde lid, 2.41, 2.43, 2.46, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, 2.48, eerste en tweede lid, 2.50, eerste tot en met vierde en zesde lid, 2.54, eerste en derde lid, 2.55, 2.56;

      2. 3.1, 3.10, eerste tot en met vierde en achtste lid, 3.11, 3.12, 3.13, 3.17, 3.18, 3.19, eerste en tweede lid, 3.20, tweede lid, 3.21, eerste tot en met vierde lid, 3.22, 3.23, 3.24, 3.25, eerste, tweede en vierde lid, 3.26, 3.28, eerste lid, 3.29, eerste lid, 3.30, 3.31, 3.34, 3.35, eerste, derde, vijfde en zesde lid, 3.36, eerste lid, 3.38, eerste tot en met derde lid, 3.39, eerste en derde lid, 3.40, eerste, tweede en vierde lid, 3.41, 3.43, 3.44, 3.46, eerste en tweede lid, 3.47, eerste en tweede lid, 3.48, eerste tot en met vijfde lid, 3.49, 3.50, eerste, tweede en derde lid, 3.51, 3.53, eerste en tweede lid, 3.54, 3.553.56, eerste en derde lid, 3.57, 3.58, 3.59, 3.60, 3.62, 3.64, 3.65, 3.70, 3.73, eerste en derde lid, 3.74, 3.75, 3.77, 3.78, eerste, tweede en vijfde lid, 3.83, derde lid, 3.84, 3.86, 3.88, 3.91, 3.92, 3.93, 3.94, eerste, tweede en derde lid, 3.95, 3.96, 3.97, 3.98, 3.99, 3.100, eerste lid tot en met vijfde lid, onderdeel a, 3.101, 3.102, 3.103, 3.105, tweede en derde lid, 3.106, eerste lid, 3.114, eerste lid, 3.115, eerste lid, 3.116, 3.117, 3.119, eerste lid, 3.122, eerste en tweede lid, 3.125, eerste lid en 3.126, aanhef en onderdeel a;

      3. 4.1, derde lid, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.12, 4.14, 4.15, 4.16, 4.17, 4.19, 4.20, eerste tot en met derde lid, 4.21, 4.22, eerste, tweede en vierde lid, 4.24, 4.25;

      4. 6.3, eerste, tweede, vierde, vijfde en zevende lid, 6.13, eerste en tweede lid;

      5. 3, 4 en 5 van verordening 1227/2011;

    4. de in de artikelen 3.85, 3.90, eerste tot en met derde lid, en 3.104 genoemde artikelen, voor zover de daar genoemde artikelen zijn opgenomen in onderdeel c;

    5. bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften, van de voorschriften inzake cyberbeveiliging, bedoeld in artikel 5.18, eerste lid, onderdeel c.

    6. besluiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van verordening 2019/942.

    7. voorschriften of beperkingen als bedoeld in de artikelen 2.18, vierde lid, 2.50, vijfde lid, 3.3, tweede tot en met zesde lid, 3.8, vierde lid, onderdeel b, 3.124, derde lid en 6.3, derde lid.

  2. De op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, vast te stellen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht of, indien dat meer is, ten hoogste 1% van de omzet van de overtreder.

  3. De op grond van het eerste lid, onderdelen c, d, e, f en g vast te stellen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de overtreder.

  4. De bestuurlijke boete die ingevolge het tweede en derde lid ten hoogste kan worden opgelegd wordt verhoogd met 100%, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een aan die overtreder voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijk wettelijk voorschrift opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.