1. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van:

    1. het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.46, eerste en derde lid, voor zover het een aangeslotene met een kleine aansluiting betreft, 2.47, eerste lid, 3.18, 3.48, 3.53, derde lid, 3.62, 3.67 tot en met 3.70, 3.79, onderdeel a, 4.3, 4.4, eerste en tweede lid, 4.14, 4.20, 4.21, eerste en tweede lid, 4.22, 5.8, tweede lid, 5.9, 5.10, 5.11, 6.3, eerste tot en met derde lid, en 7.28, zesde lid;

    2. voor gas: het bepaalde bij of krachtens artikel 3.74, aanhef en onderdeel a, voor zover het onderwerpen betreffen die samenhangen met de veiligheid van gas en artikel 3.74, aanhef en onderdeel b;

    3. bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften, gesteld krachtens verordening 715/2009, verordening 1227/2011, verordening 2017/1938, verordening 2019/941, verordening 2019/942 of verordening 2019/943 of verordening 2022/869, voor zover deze voorschriften handelen over of samenhangen met cyberbeveiliging.

  2. Onze Minister wijst bij besluit de ambtenaren aan die toezicht houden op de naleving van de artikelen bedoeld in het eerste lid.