1. Onze Minister kan een eindafnemer als bedoeld in artikel 2.63, eerste lid, een vergoeding toekennen indien het verbod, bedoeld in dat artikel, voor die eindafnemer schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die de eindafnemer in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.

  2. Schade blijft in elk geval voor rekening van de eindafnemer voor zover:

    1. hij het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard;

    2. hij de schade had kunnen beperken door binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade hadden kunnen leiden;

    3. de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend; of

    4. de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd.

  3. Indien het verbod, bedoeld in artikel 2.63, eerste lid, tevens voordeel voor de eindafnemer heeft opgeleverd, wordt dit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking genomen.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld die betrekking hebben op:

    1. het moment waarop de vergoeding kan worden aangevraagd;

    2. de gegevens die bij een aanvraag worden overgelegd;

    3. de termijn voor het geven van een beslissing op een aanvraag.