1. Een distributiesysteembeheerder schakelt op verzoek van een aangeslotene met een kleine aansluiting de communicatiefunctionaliteit administratief aan of uit.

  2. Indien een distributiesysteembeheerder op grond van artikel 3.51, eerste lid, een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit ter beschikking stelt aan een aangesloten met een kleine aansluiting, kan de aangeslotene deze weigeren. In dat geval stelt de distributiesysteembeheerder een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit ter beschikking, installeert deze op of nabij het overdrachtspunt en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  3. Een distributiesysteembeheerder zendt Onze Minister de persoonsgegevens van een aangeslotene met een kleine aansluiting indien hij deze aangeslotene een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen ter beschikking heeft gesteld maar dit niet heeft geleid tot installatie van die meetinrichting.