1. Een distributiesysteembeheerder stelt aan een aangeslotene met een kleine aansluiting voor elektriciteit of gas, die op grond van artikel 2.46, eerste lid, over een meetinrichting moet beschikken, een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit beschikbaar, installeert deze op of nabij het overdrachtspunt en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  2. Indien een distributiesysteembeheerder redelijkerwijs niet in staat is een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit bij een aangeslotene met een kleine aansluiting te plaatsen en de oorzaak daarvan niet in de macht van de aangeslotene ligt, stelt de distributiesysteembeheerder een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit ter beschikking, installeert deze op of nabij het overdrachtspunt en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  3. Een distributiesysteembeheerder die krachtens artikel 2.46, tweede lid, onderdeel b, een meetinrichting installeert en beheert, stelt een meetinrichting beschikbaar, installeert deze op of nabij de andere plaats en doet een aanbod om de meetinrichting in gebruik te geven en te beheren.

  4. Een distributiesysteembeheerder doet aan een aangeslotene met een kleine aansluiting voor elektriciteit of gas op diens verzoek een aanbod om binnen vier maanden een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit ter beschikking te stellen:

    1. in het geval het eerder technisch onmogelijk was een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit te plaatsen; of

    2. ter vervanging van een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit.