1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas:

    1. accepteert op zijn systeem gas dat voldoet aan de invoedspecificaties volgens bij ministeriële regeling gestelde regels;

    2. weert gas op zijn systeem dat niet voldoet aan deze specificaties; en

    3. draagt er zorg voor dat gas dat op afleverpunten van het systeem wordt afgenomen voldoet aan de afleverspecificaties die Onze Minister bij ministeriële regeling vaststelt.

  2. De transmissiesysteembeheerder voor gas mengt, bewerkt of behandelt gas dat op zijn systeem wordt ingevoed zo nodig teneinde te voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan een transmissie- of distributiesysteembeheerder de invoeding van gas dat voldoet aan de krachtens dat artikellid gestelde invoedspecificaties weigeren, indien die invoeding ertoe zou leiden dat de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas niet in redelijkheid kan voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, accepteert een transmissiesysteembeheerder voor gas op verzoek invoeding van gas dat niet voldoet aan de krachtens het eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde invoedspecificaties, indien hij dit redelijkerwijs en met gebruikmaking van het systeem kan mengen en kan voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  5. Een transmissiesysteembeheerder voor gas accepteert op verzoek invoeding van waterstofgas of andere gasvormige stoffen dan gas, indien hij dit redelijkerwijs en met gebruikmaking van het systeem kan mengen en kan voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel c.

  6. De invoedspecificaties en de afleverspecificaties, bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval verschillen voor invoed- en afleverpunten en naar energie-inhoud, drukniveau en regio.