1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt voor een aansluiting op zijn systeem de locatie van het overdrachtspunt vast, met inachtneming van de redelijke belangen van de aangeslotene.

  2. Indien een aansluiting uit meerdere leidingen bestaat stelt de transmissie- of distributiesysteembeheerder per leiding de locatie van het overdrachtspunt vast.

  3. De betreffende transmissie- of distributiesysteembeheerders stellen gezamenlijk het overdrachtspunt van een systeemkoppeling vast.