1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder legt een ontwerpinvesteringsplan voor aan eenieder ter consultatie en aan Onze Minister ten behoeve van het onderzoek bedoeld in het tweede lid.

  2. Onze Minister onderzoekt of het ontwerpinvesteringsplan van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voldoende rekenschap geeft van:

    1. de krachtens artikel 3.36, eerste lid, onderdeel f, vastgestelde regels;

    2. indien het een investeringsplan van een transmissiesysteembeheerder betreft, het ingevolge verordening 2018/1999 opgestelde nationale energie- en klimaatplan; en

    3. indien het een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit betreft, het ingevolge artikel 15 van verordening 2019/943 vastgestelde actieplan.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder verwerkt de consultatiereacties en de bevindingen van Onze Minister in het ontwerpinvesteringsplan en legt het ontwerpinvesteringsplan vervolgens ter toetsing voor aan de Autoriteit Consument en Markt.

  4. De Autoriteit Consument en Markt toetst of een ontwerpinvesteringsplan voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 3.34 tot en met 3.36 gestelde eisen, waaronder of geen sprake is van overinvestering of onderinvestering in het licht van de taak, bedoeld in artikel 3.25 en of de transmissie- of distributiesysteembeheerder in redelijkheid tot het ontwerpinvesteringsplan heeft kunnen komen. De Autoriteit Consument en Markt betrekt hierbij tevens de bevindingen van Onze Minister.

  5. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt het investeringsplan vast na ontvangst van de toetsingsresultaten van de Autoriteit Consument en Markt en verantwoordt daarbij hoe deze toetsingsresultaten zijn verwerkt.

  6. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voert de in het investeringsplan opgenomen investeringen en de inkoop van congestiebeheers- of systeembeheersdiensten uit conform het investeringsplan.