1. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.128, eerste lid, of artikel 3.129, eerste lid, maar uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

  2. Indien de aanvraag voor een ontheffing betrekking heeft op een interconnectorsysteem voor gas, wordt de termijn voor het nemen van een besluit gerekend vanaf de datum waarop de laatste van de uit de landen betrokken regulerende instantie een verzoek om ontheffing heeft ontvangen en kan Onze Minister het nemen van een besluit ten hoogste eenmaal met een periode van drie maanden verlengen indien Acer met de verlenging heeft ingestemd.

  3. Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een ontheffing.

  4. Onze Minister verbindt ten minste voorschriften aan de ontheffing, bedoeld in artikel 3.128, eerste lid, of artikel 3.129, eerste lid, met betrekking tot de niet-discriminerende toegang tot het interconnectorsyteem, het LNG-systeem of gasopslagsysteem, onder andere over de mechanismen voor het beheer of de toewijzing van capaciteit.

  5. Onze Minister zendt het besluit, bedoeld in het eerste lid, en alle relevante gegevens onverwijld aan de Europese Commissie.

  6. Indien twee jaar na inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, de bouw van de infrastructuur nog niet van start is gegaan of wanneer vijf jaar na inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, de infrastructuur nog niet openbaar is geworden, vervalt de ontheffing.

  7. In afwijking van het zesde lid wordt de van toepassing zijnde vervaltermijn als bedoeld in het zesde lid, opgeschort indien een houder van de ontheffing ten minste drie maanden voor afloop van die vervaltermijn, bedoeld in het zesde lid, Onze Minister verzoekt om vast te stellen dat de vertraging het gevolg is van grote hindernissen die buiten de macht liggen van de houder van de ontheffing, totdat Onze Minister op dat verzoek heeft beslist.

  8. In afwijking van het zesde lid vervalt de ontheffing niet indien Onze Minister het verzoek, bedoeld in het zevende lid, toewijst.

  9. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

    1. de inhoud van en de procedure voor de besluiten, bedoeld in het eerste en zevende lid, waaronder de inhoud van en de procedure voor de kennisgeving, bedoeld in het vijfde lid;

    2. de voorschriften die aan de ontheffing kunnen worden verbonden;

    3. de bekendmaking en inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid.

  10. In afwijking van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan op de dag van inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in het eerste lid.