1. De statuten van een distributiesysteembeheerder bevatten in elk geval:

    1. de instelling van een raad van commissarissen;

    2. de bepaling dat de aandeelhouders het kader vaststellen voor het bezoldigingsbeleid van de bestuurders;

    3. in afwijking van artikel 129, derde lid, of artikel 239, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de bepaling dat aan de goedkeuring van de raad van commissarissen ten minste zijn onderworpen de besluiten van het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 274, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; en

    4. de bepaling dat het reserveren en uitkeren van de jaarlijkse winst geschiedt met de instemming van de aandeelhouders en met inachtneming van de uitvoering van de aan de distributiesysteembeheerder opgedragen taak, bedoeld in artikel 3.25, eerste lid.

  2. Als een distributiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is als bedoeld in artikel 152 of 262 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, behoeven de statuten van die distributiesysteembeheerder, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, niet te voorzien in de instelling van een raad van commissarissen.

  3. In het in het tweede lid bedoelde geval:

    1. voldoet een rechtspersoon waarvan de distributiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is aan de in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, genoemde eisen; en

    2. beschikt de raad van commissarissen van de distributiesysteembeheerder, bedoeld in onderdeel a, waarvan de distributiesysteembeheerder een afhankelijke maatschappij is over de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ten aanzien van het bestuur van de distributiesysteembeheerder.