1. Een meetverantwoordelijke partij:

    1. installeert en beheert op of nabij ieder overdrachtspunt een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, gestelde eisen;

    2. indien van toepassing, installeert en beheert een meetinrichting op de bij de krachtens artikel 2.46, tweede lid, onderdeel a, vastgestelde plaatsen;

    3. geeft overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 4.8, zesde lid, gegevens van de door hem beheerde meetinrichtingen door;

    4. verzamelt en valideert per geïnstalleerde meetinrichting meetgegevens en stelt deze vast.

  2. Bij ministeriële regeling worden voor de verschillende soorten meetinrichtingen die krachtens artikel 2.46, derde lid, zijn toegestaan regels gesteld over:

    1. het installeren en beheren van meetinrichtingen;

    2. het soort meetgegevens dat wordt verzameld, gevalideerd of vastgesteld;

    3. de frequentie waarmee meetgegevens worden verzameld, gevalideerd of vastgesteld;

    4. de wijze waarop meetgegevens worden verzameld;

    5. de nauwkeurigheidseisen voor het verzamelen van meetgegevens;

    6. de methoden voor het herleiden en berekenen van de hoeveelheid gas;

    7. de methoden voor het herleiden en berekenen ten behoeve van het valideren en vaststellen van meetgegevens.

  3. Een meetverantwoordelijke partij kan met een aangeslotene overeenkomen dat de aangeslotene de meetgegevens ten aanzien van de kwaliteit van het door hem ingevoede gas zelf verzamelt, valideert en vaststelt. In dat geval geeft de aangeslotene de meetgegevens overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, door.