1. Een energiegemeenschap neemt in haar statuten, of, in geval van een personenvennootschap, in een overeenkomst, ten minste op dat:

    1. de participatie in de energiegemeenschap open en vrijwillig is;

    2. de leden, vennoten, of aandeelhouders het recht hebben de energiegemeenschap te verlaten; en

    3. de feitelijke zeggenschap over de energiegemeenschap is gelegen bij leden, vennoten of aandeelhouders die natuurlijk personen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, gemeenten, waterschappen, provincies of gemeenschappelijke regelingen zijn.

  2. Een energiegemeenschap die hernieuwbare energieprojecten ontwikkelt, kan:

    1. in aanvulling op het eerste lid, in de statuten of de overeenkomst opnemen dat de leden, vennoten of aandeelhouders van de energiegemeenschap enkel natuurlijk personen, gemeenten, waterschappen, provincies, gemeenschappelijke regelingen of micro-ondernemingen, kleine ondernemingen of middelgrote ondernemingen zijn;

    2. in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, de feitelijke zeggenschap over de energiegemeenschap bij die leden, vennoten of aandeelhouders van de rechtspersoon leggen, die in de nabije omgeving van de hernieuwbare-energieprojecten zijn gevestigd; en

    3. in haar statuten bepalen dat de deelnemende leden, vennoten of aandeelhouders een gelijk stemrecht hebben.