1. Als een eindafnemer met een kleine aansluiting hernieuwbare elektriciteit produceert en hij geen terugleveringsovereenkomst heeft gesloten met een andere marktdeelnemer dan zijn leverancier, en voor zover die elektriciteit niet is gedeeld met een andere eindafnemer, berekent de leverancier het verbruik ten behoeve van de facturering en inning van de leveringskosten door de aan het systeem onttrokken elektriciteit te verminderen met de op het systeem ingevoede elektriciteit, waarbij de vermindering maximaal de hoeveelheid aan het systeem onttrokken elektriciteit bedraagt.

  2. Als een eindafnemer met een kleine aansluiting niet-hernieuwbare elektriciteit produceert en hij geen terugleveringsovereenkomst heeft gesloten met een andere marktdeelnemer dan zijn leverancier, en voor zover die elektriciteit niet is gedeeld met een andere eindafnemer, berekent de leverancier het verbruik ten behoeve van de facturering en inning van de leveringskosten door de aan het systeem onttrokken elektriciteit te verminderen met de op het systeem ingevoede elektriciteit, met een maximum van 5.000 kWh aan op het systeem ingevoede elektriciteit, voor zover het saldo van de aan het systeem onttrokken minus de op het systeem ingevoede elektriciteit niet minder dan nul bedraagt.

  3. Als de door de eindafnemer op het systeem ingevoede hoeveelheid elektriciteit groter is dan de hoeveelheid die ingevolge het eerste of tweede lid in mindering wordt gebracht op de door die leverancier geleverde elektriciteit, betaalt de leverancier aan de betreffende eindafnemer voor het meerdere een redelijke vergoeding. De redelijke vergoeding voor hernieuwbare elektriciteit kan niet worden vastgesteld op een negatief bedrag.

  4. Indien aan de aansluiting meerdere allocatiepunten zijn toegekend, is het eerste tot en met derde lid van toepassing op een leverancier die levert op een allocatiepunt dat direct verbonden is met het overdrachtspunt en waaraan door de distributiesysteembeheerder zowel afname als invoeding wordt toegewezen.

  5. Artikel 2.5, eerste, derde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding en voorwaarden waaronder de elektriciteit wordt ingevoed, met dien verstande dat de hoogte van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig het derde lid.