1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden meerdere onroerende zaken als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken, beschouwd als één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, indien:

    1. de onroerende zaken zich bevinden in een bouwwerk met:

      1. een woonfunctie bestemd voor bewoners die zijn ingeschreven bij een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een universiteit of hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of die zich voorbereiden op een promotie als bedoeld in artikel 7.18 van laatstgenoemde wet;

      2. een woonoppervlak van maximaal 50 vierkante meter per wooneenheid; en

      3. gemeenschappelijke ruimtes die een meeromvattende functie hebben dan de reguliere functie van gemeenschappelijke ruimten in een appartementencomplex; en

    2. de eigenaar van de onroerende zaken zijn keuze hiervoor kenbaar maakt bij zijn systeembeheerder.

  2. De keuze, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan slechts worden ingetrokken ingeval van ingrijpende renovatie van het bouwwerk.

  3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden twee of meer op land gelegen installaties voor productie, opslag, conversie of verbruik van elektriciteit beschouwd als één installatie en één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, indien:

    1. de installaties zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden;

    2. de eigenaren van die installaties gezamenlijk een aansluitovereenkomst en een transportovereenkomst hebben gesloten met de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit; en

    3. de gevraagde aansluitcapaciteit meer bedraagt dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld minimum;

    4. het aantal installaties niet meer bedraagt dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld maximum.

  4. De eigenaren van de installaties melden de ingebruikname van een gezamenlijke aansluiting als bedoeld in het derde lid zo spoedig mogelijk aan de Autoriteit Consument en Markt.

  5. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden verschillende op land gelegen windparken of installaties voor productie van elektriciteit met behulp van zonne-energie die behoren tot eenzelfde groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, beschouwd als één installatie en één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, indien:

    1. de installaties zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden; en

    2. deze installaties onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben.

  6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit aan de producent een aanbod voor het aanleggen van meerdere aansluitingen heeft gedaan en dit leidt tot lagere kosten voor de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit.