Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 18-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  1. de wet: het Wetboek van Strafvordering;

  2. de strafrechtsketendatabank: de databank, bedoeld in artikel 27b, vierde lid, van de wet;

  3. gewezen verdachte: een persoon die bij onherroepelijke einduitspraak is vrijgesproken van een misdrijf als bedoeld in artikel 482a, eerste lid, onder a, van de wet, waarbij opzettelijk de dood van een ander is veroorzaakt, dan wel daarvoor is ontslagen van alle rechtsvervolging zonder dat daarbij een maatregel als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

  4. onbekende verdachte: een persoon van wie vingerafdrukken zijn aangetroffen op de plaats van een strafbaar feit, op het slachtoffer van een strafbaar feit of op een andere derde of een voorwerp dat in verband staat met dat strafbare feit en van wie vermoed wordt dat hij de verdachte, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet, van dat strafbare feit is of kan zijn.

Artikel 2

In de strafrechtsketendatabank worden de volgende gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de identiteit van een verdachte of veroordeelde, verwerkt:

  1. zijn naam, voornamen, geboorteplaats, -land en -datum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats,

  2. de eventuele alias of aliassen waaronder hij in het verleden in de strafrechtsketen bekend heeft gestaan,

  3. zijn strafrechtsketennummer of, bij het ontbreken van dit nummer, zijn VIP-nummer,

  4. zijn burgerservicenummer,

  5. het parketnummer van de strafzaak,

  6. zijn vreemdelingennummer, indien hij een vreemdeling is,

  7. de foto’s die van hem overeenkomstig de wet zijn genomen,

  8. het nummer waaronder de vingerafdrukken die van hem overeenkomstig de wet zijn genomen, zijn verwerkt,

  9. het nummer waaronder een DNA-profiel dat van hem is bepaald, in de DNA-databank voor strafzaken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, is verwerkt,

  10. een kopie van het door hem ter inzage aangeboden identiteitsbewijs en de gegevens die op dat bewijs zijn vermeld, en

  11. verwijzingen naar andere bestanden waarin gegevens over hem ten behoeve van de toepassing van het strafrecht zijn verwerkt.

Artikel 3

Het strafrechtsketennummer mag voor het uitwisselen van persoonsgegevens van verdachten en veroordeelden ten behoeve van de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 worden gebruikt in geval van:

  1. beoordeling van het al dan niet toegang verlenen tot Nederland;

  2. beoordeling of aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in de artikelen 14 en 28 van de Vreemdelingenwet 2000, verlenging van de geldigheidsduur daarvan dan wel wijziging van de beperking waaronder deze is verleend;

  3. beoordeling of aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b en d, van de Vreemdelingenwet 2000;

  4. staandehouding en ophouding indien sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf;

  5. vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en bewaring;

  6. uitzetting uit Nederland, en

  7. beoordeling tot ongewenstverklaring of een aanvraag om de opheffing daarvan.

Artikel 4

  1. De ambtenaren die bij de Justitiële Informatiedienst werkzaam zijn, hebben rechtstreekse toegang tot de strafrechtsketendatabank, voor zover zij die toegang nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak.

  2. De functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, en de functionarissen die met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 zijn belast, kunnen de gegevens uit de strafrechtsketendatabank rechtstreeks langs geautomatiseerde weg raadplegen, voor zover zij die gegevens nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en de Justitiële Informatiedienst hen daartoe gemachtigd heeft.

  3. Bij iedere verwerking wordt aantekening gehouden van de datum van de verwerking en de identiteit van de functionaris.

Artikel 5

  1. Zodra zich een omstandigheid voordoet die meebrengt dat degene wiens gegevens in de strafrechtsketendatabank zijn verwerkt, niet langer als een verdachte van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, worden zijn gegevens, bedoeld in artikel 2, onder g tot en met j, vernietigd. De gegevens, bedoeld in artikel 2, onder a tot en met f en k, worden overeenkomstig de termijnen, genoemd in de artikelen 6, eerste en vierde lid, en 7, eerste lid, vernietigd.

  2. Zodra de verdachte met goed gevolg een project als bedoeld in artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft afgerond, worden zijn gegevens, bedoeld in artikel 2, vernietigd.

  3. Van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake bij een beslissing tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring dat de zaak geëindigd is, een onherroepelijke vrijspraak of een onherroepelijk ontslag van alle rechtsvervolging waarbij niet een maatregel als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

  4. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt van het vernietigen van de in deze leden bedoelde gegevens afgezien indien degene wiens gegevens het betreft, in een andere zaak als verdachte van een strafbaar feit is aangemerkt of in een andere zaak is veroordeeld.

  5. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt van het vernietigen van de in deze leden bedoelde gegevens afgezien indien degene wiens gegevens het betreft, een gewezen verdachte is die niet eerder voor hetzelfde feit in een herzieningsprocedure als bedoeld in Titel VIII van het Derde Boek van de wet is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging. De gegevens kunnen in dat geval uitsluitend worden geraadpleegd:

    1. met het oog op een herziening ten nadele op de in artikel 482a, eerste lid, onder a, van de wet bedoelde grond en na toestemming van de rechter-commissaris, of

    2. ingeval van een vergelijking als bedoeld in artikel 9, zesde lid, of als bedoeld in artikel 14, zevende lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.

Artikel 6

  1. De gegevens, bedoeld in artikel 2, van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven worden vernietigd:

    1. twintig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene,

    2. dertig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader van het misdrijf de gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twintig jaar na het overlijden van betrokkene, of

    3. na het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring.

  2. De termijn van twintig en dertig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt verlengd indien tegen de betrokkene een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in verband met een ander misdrijf is gedaan of een strafbeschikking in verband met een ander misdrijf is uitgevaardigd. In dat geval worden de gegevens vernietigd twintig dan wel dertig jaar nadat de einduitspraak in verband met dat andere misdrijf is gedaan of de strafbeschikking in verband met dat andere misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, al naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving minder dan zes jaar dan wel zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld. De eerste twee volzinnen zijn niet van toepassing in het geval op dat andere misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, terwijl op het eerdere misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer was gesteld en van de termijn van dertig jaar nog niet meer dan tien jaar is verstreken.

  3. De termijn van dertig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt met twintig jaar verlengd indien de duur van de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel langer is dan twintig jaar. Indien de gevangenisstraf levenslang is of de vrijheidsbenemende maatregel de duur van veertig jaar overstijgt, worden de gegevens na tachtig jaar vernietigd.

  4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid worden gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven als bedoeld in de artikelen 241, 243 en 245 tot en met 253 van het Wetboek van Strafrecht na tachtig jaar vernietigd.

Artikel 7

De gegevens, bedoeld in artikel 2, van verdachten en veroordeelden wegens overtredingen worden vernietigd:

  1. vijf jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een overtreding en in het kader van de overtreding de gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een overtreding volledig ten uitvoer is gelegd,

  2. tien jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een overtreding en in het kader van de overtreding de gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een overtreding volledig ten uitvoer is gelegd, en daarbij een vrijheidsstraf, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, of een taakstraf is opgelegd, dan wel aan een rechtspersoon een geldboete van de derde categorie of hoger is opgelegd,

  3. twee jaar na het overlijden van betrokkene, of

  4. na het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring.

Artikel 7a

  1. De gegevens, bedoeld in artikel 2, van gewezen verdachten worden vernietigd:

    1. twaalf jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in artikel 1, onder c, is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de gegevens zijn verwerkt,

    2. twintig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in artikel 1, onder c, is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader van het misdrijf de gegevens zijn verwerkt,

    3. tachtig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in artikel 1, onder c, is gedaan in verband met een misdrijf dat op grond van artikel 70, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht niet aan verjaring onderhevig is, en in het kader van het misdrijf de gegevens zijn verwerkt,

    4. wanneer naar het oordeel van de officier van justitie vaststaat dat herziening ten nadele op grond van artikel 482a, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet uitgesloten is, dan wel

    5. terstond na het overlijden van betrokkene.

  2. De in het eerste lid, onder a, b en c, genoemde termijnen belopen zes, tien, respectievelijk twintig jaar indien de gewezen verdachte ten tijde van het begaan van het feit waarop de rechterlijke uitspraak betrekking heeft de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.

Artikel 7b

  1. De Justitiële Informatiedienst houdt aantekening van iedere vernietiging ingevolge de artikelen 6, 7 en 7a.

  2. Een strafrechtsketennummer dat is vernietigd, wordt niet opnieuw aan een verdachte toegekend.

Artikel 8

Het openbaar ministerie verstrekt de Justitiële Informatiedienst de informatie die nodig is om te kunnen voldoen aan de artikelen 5 tot en met 7.

Artikel 8a

  1. Laboratoriumonderzoek op het terrein van vingerafdrukken, waaronder alle activiteiten vallen die worden uitgevoerd bij het lokaliseren en veiligstellen van vingersporen op voorwerpen, alsmede het ontwikkelen, analyseren en interpreteren daarvan, wordt in het kader van de uitwisseling van informatie aangaande vingerafdrukken met lidstaten van de Europese Unie slechts uitgevoerd door:

    1. een in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde aanbieder van laboratoriumactiviteiten op het terrein van onderzoek naar vingerafdrukken die daarvoor door de Raad voor Accreditatie of de instantie die in een andere lidstaat op grond van de verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 (PbEU 2008, L 218) tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 gemachtigd is accreditaties te verlenen, is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025:2015, en deskundig is op het terrein van forensisch onderzoek, of

    2. een buiten het grondgebied van de Europese Unie gevestigde aanbieder van laboratoriumactiviteiten op het terrein van onderzoek naar vingerafdrukken die daarvoor door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025:2015, en deskundig is op het terrein van forensisch onderzoek.

  2. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om accreditatie, bedoeld in het eerste lid, onder a.

  3. Indien de accreditatie van een aanbieder van laboratoriumactiviteiten als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, is geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, wordt in dit laboratorium niet langer in het kader van de uitwisseling van informatie aangaande vingerafdrukken met lidstaten van de Europese Unie onderzoek naar vingerafdrukken verricht.

Artikel 9

  1. Er is een databank met vingerafdrukken die tot doel heeft de vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden te bevorderen. Deze databank bevat slechts de vingerafdrukken van:

    1. verdachten,

    2. veroordeelden en

    3. gewezen verdachten.

  2. Er is een databank met vingerafdrukken die tot doel heeft het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van lijken te bevorderen. Deze databank bevat slechts de vingerafdrukken van:

    1. verdachten,

    2. veroordeelden,

    3. gewezen verdachten,

    4. overleden slachtoffers van misdrijven en

    5. onbekende verdachten.

  3. Onze Minister is verantwoordelijk voor de databanken, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  4. De Justitiële Informatiedienst voert het beheer over de databank, bedoeld in het eerste lid. Een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 voert het beheer over de databank, bedoeld in het tweede lid.

  5. De vingerafdrukken die in de databanken zijn vastgelegd, kunnen met het oog op de doelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, onderling worden vergeleken.

  6. In afwijking van het vijfde lid worden de in de databanken, bedoeld in het eerste en tweede lid, vastgelegde vingerafdrukken van gewezen verdachten of van onbekende verdachten die in de strafzaak waarin de gewezen verdachte is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, met die vingerafdrukken overeenkwamen, uitsluitend onderling of met andere met die strafzaak in verband staande vingerafdrukken van onbekende verdachten vergeleken, indien

    1. de vergelijking plaatsvindt met het oog op de herziening ten nadele op de in artikel 482a, eerste lid, onder a, van de wet bedoelde grond, en

    2. de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, opdracht tot de vergelijking heeft gegeven.

  7. In geval van toepassing van het zesde lid geeft de rechter-commissaris die de opdracht tot de vergelijking heeft gegeven de gewezen verdachte, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek.

Artikel 9a

  1. Op het verwerken van de vingerafdrukken, bedoeld in artikel 2, onder h, van degene die niet langer als een verdachte van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, of van degene die met goed gevolg een project als bedoeld in artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft afgerond, is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.

  2. Op het verwerken van de vingerafdrukken, bedoeld in artikel 2, onder h, van een verdachte of veroordeelde, zijn de artikelen 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.

  3. Op het verwerken van de vingerafdrukken, bedoeld in artikel 2, onder h, van een gewezen verdachte, is artikel 7a van overeenkomstige toepassing.

  4. De vingerafdrukken van een overleden slachtoffer van een misdrijf worden vernietigd:

    1. twaalf jaar na verwerking bij een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld,

    2. twintig jaar na verwerking bij een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, dan wel

    3. tachtig jaar na verwerking bij een misdrijf dat op grond van artikel 70, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht niet aan verjaring onderhevig is.

  5. De vingerafdrukken van een onbekende verdachte worden overeenkomstig de termijnen, genoemd in het vierde lid, vernietigd.

  6. Met de vingerafdrukken, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, worden tevens de daarbij behorende identificerende persoonsgegevens vernietigd.

  7. Artikel 7b, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  8. De Justitiële Informatiedienst verstrekt de informatie, bedoeld in artikel 8, aan een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012, voor zover die informatie nodig is om te kunnen voldoen aan het eerste tot en met derde lid juncto artikel 7a, eerste lid, onder a tot en met c en e, en tweede lid. Het openbaar ministerie verstrekt de informatie die nodig is om te kunnen voldoen aan het derde lid juncto artikel 7a, eerste lid, onder d, en het vierde en vijfde lid.

Artikel 10

  1. De vingerafdrukken die overeenkomstig artikel 28, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, zijn genomen, worden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 39, eerste of derde lid, van de Penitentiaire maatregel, vernietigd.

  2. De vingerafdrukken die overeenkomstig artikel 22, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, zijn genomen, worden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 32, eerste of derde lid, van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, vernietigd.

  3. De vingerafdrukken die overeenkomstig artikel 33, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, zijn genomen, worden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 71, eerste of derde lid, van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen, vernietigd.

  4. De ambtenaren of medewerkers die bij de Dienst Justitiële Inrichtingen werkzaam zijn, hebben rechtstreekse toegang tot de vingerafdrukken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, voor zover zij die toegang nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak.

Artikel 11

  1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor de inrichting en instandhouding van een berichtenvoorziening voor de strafrechtsketen met behulp waarvan de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer kunnen worden geraadpleegd. Hij stelt voor de berichtenvoorziening een systeembeschrijving op die de onderdelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit burgerservicenummer, bevat en zorgt ervoor dat de berichtenvoorziening overeenkomstig deze systeembeschrijving functioneert.

  2. De functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, kunnen ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden uitsluitend door tussenkomst van de berichtenvoorziening, bedoeld in het eerste lid, gebruik maken van de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.

  3. De organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast en die zijn aangesloten op de berichtenvoorziening, bedoeld in het eerste lid, zorgen ervoor dat de verbinding van hun geautomatiseerde systeem met de berichtenvoorziening en de uitwisseling van gegevens tussen hun geautomatiseerde systeem en de berichtenvoorziening functioneren overeenkomstig hetgeen daarover in de systeembeschrijving, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd.

  4. Artikel 5 van het Besluit burgerservicenummer is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Wijzigt het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.

Artikel 13

Wijzigt het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen.

Artikel 15

  1. De vingerafdrukken, de DNA-profielen en de persoonsgegevens in de Verwijsindex Personen die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verwerkt, worden vernietigd overeenkomstig de termijnen die voor de inwerkingtreding van dit besluit golden.

  2. Indien tegen een verdachte na de inwerkingtreding van dit besluit een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in verband met een ander misdrijf is gedaan of een strafbeschikking in verband met een ander misdrijf is uitgevaardigd dan het misdrijf in het kader waarvan de vingerafdrukken voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verwerkt, is artikel 6, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  3. Indien tegen een verdachte na de inwerkingtreding van dit besluit een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in verband met een ander misdrijf is gedaan of een strafbeschikking in verband met een ander misdrijf is uitgevaardigd dan het misdrijf in het kader waarvan het DNA-profiel voor de inwerkingtreding van dit besluit is verwerkt, is artikel 18, tweede lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken van toepassing.

Artikel 16

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met uitzondering van de artikelen 11 en 12, onderdeel C, onder 1, die in werking treden op 1 september 2009.

Artikel 17

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden.

← terug naar wetten