-
Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
de naam en het adres van de verzoeker;
de dagtekening;
een omschrijving van de gedraging waartegen het verzoek is gericht, een aanduiding van degene die zich aldus heeft gedragen en een aanduiding van degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden, indien deze niet de verzoeker is;
de gronden van het verzoek;
de wijze waarop een klacht bij het bestuursorgaan is ingediend, en zo mogelijk de bevindingen van het onderzoek naar de klacht door het bestuursorgaan, zijn oordeel daarover alsmede de eventuele conclusies die het bestuursorgaan hieraan verbonden heeft.
-
Indien het verzoekschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het verzoek noodzakelijk is, draagt de verzoeker zorg voor een vertaling.
-
Indien niet is voldaan aan de in dit artikel gestelde vereisten of indien het verzoekschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, stelt de ombudsman de verzoeker in de gelegenheid het verzuim binnen een door hem daartoe gestelde termijn te herstellen.
Algemene wet bestuursrecht Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 29-03-2026.
Inhoud
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 Verkeer met bestuursorganen
Afdeling 2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 2.2 Gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer
Afdeling 2.3 Verkeer langs elektronische weg
Paragraaf 2.3.1 Algemeen
Paragraaf 2.3.2 Verzending door een bestuursorgaan
Paragraaf 2.3.3 Verzending aan een bestuursorgaan
Paragraaf 2.3.4 Tijdstip van verzending en ontvangst
Paragraaf 2.3.5 Wettelijke termijnen
Paragraaf 2.3.6 Bewijslast
Paragraaf 2.3.7 Tijdelijke afwijking van deze afdeling
Paragraaf 2.3.8 Regels over bewaren en vernietigen
Hoofdstuk 3 Algemene bepalingen over besluiten
Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 3.2 Zorgvuldigheid en belangenafweging
Afdeling 3.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Afdeling 3.4a Informatie over samenhangende besluiten
Afdeling 3.5 Coördinatie van samenhangende besluiten
Afdeling 3.6 Bekendmaking en mededeling
Hoofdstuk 4 Bijzondere bepalingen over besluiten
Titel 4.1 Beschikkingen
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding
Afdeling 4.1.3 Beslistermijn
Titel 4.2 Subsidies
Afdeling 4.2.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 4.2.2 Het subsidieplafond
Afdeling 4.2.3 De subsidieverlening
Afdeling 4.2.4 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Afdeling 4.2.5 De subsidievaststelling
Afdeling 4.2.6 Intrekking en wijziging
Afdeling 4.2.7 Betaling en terugvordering
Afdeling 4.2.8 Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen
Paragraaf 4.2.8.1 Inleidende bepalingen
Paragraaf 4.2.8.2 De aanvraag
Paragraaf 4.2.8.3 De subsidieverlening
Paragraaf 4.2.8.4 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Paragraaf 4.2.8.5 De subsidievaststelling
Titel 4.3 Beleidsregels
Titel 4.4 Bestuursrechtelijke geldschulden
Afdeling 4.4.1 Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling
Afdeling 4.4.2 Verzuim en wettelijke rente
Afdeling 4.4.3 Verjaring
Afdeling 4.4.4 Aanmaning en invordering bij dwangbevel
Paragraaf 4.4.4.1 De aanmaning
Afdeling 4.4.5 Bezwaar en beroep
Titel 4.5 Nadeelcompensatie
Hoofdstuk 5 Handhaving
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Toezicht op de naleving
Titel 5.3 Herstelsancties
Afdeling 5.3.1 Last onder bestuursdwang
Titel 5.4 Bestuurlijke boete
Hoofdstuk 6 Algemene bepalingen over bezwaar en beroep
Afdeling 6.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 7 Bijzondere bepalingen over bezwaar en administratief beroep
Afdeling 7.1 Bezwaarschrift voorafgaand aan beroep bij de bestuursrechter
Afdeling 7.2 Bijzondere bepalingen over bezwaar
Afdeling 7.3 Bijzondere bepalingen over administratief beroep
Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Titel 8.1 Algemene bepalingen over het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.1.1 Bevoegdheid
Afdeling 8.1.2 Behandeling door een enkelvoudige, meervoudige of grote kamer
Afdeling 8.1.2a Conclusie
Afdeling 8.1.2b Opmerkingen door anderen dan partijen
Afdeling 8.1.3 Verwijzing, voeging en splitsing
Afdeling 8.1.4 Wraking en verschoning van rechters
Afdeling 8.1.5 Partijen
Afdeling 8.1.6 Getuigen, deskundigen en tolken
Afdeling 8.1.6a Verkeer langs elektronische weg met de bestuursrechter
Afdeling 8.1.7 Verzending van stukken
Titel 8.2 Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.2.1 Griffierecht
Afdeling 8.2.1a Algemene bepaling
Afdeling 8.2.2 Vooronderzoek
Afdeling 8.2.2a Bestuurlijke lus
Afdeling 8.2.3 Versnelde behandeling
Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling
Afdeling 8.2.4a Beroep bij niet tijdig handelen
Afdeling 8.2.5 Onderzoek ter zitting
Afdeling 8.2.6 Uitspraak
Afdeling 8.2.7 Tussenuitspraak
Titel 8.3 Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Titel 8.4 Schadevergoeding
Titel 8.5 Hoger beroep
Titel 8.6 Herziening
Hoofdstuk 9 Klachtbehandeling
Titel 9.1 Klachtbehandeling door een bestuursorgaan
Afdeling 9.1.1 Algemene bepalingen
Afdeling 9.1.2 De behandeling van klaagschriften
Afdeling 9.1.3 Aanvullende bepalingen voor een klachtadviesprocedure
Titel 9.2 Klachtbehandeling door een ombudsman
Afdeling 9.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 9.2.2 Bevoegdheid
Hoofdstuk 10 Bepalingen over bestuursorganen
Titel 10.1 Mandaat, delegatie en attributie
Titel 10.2 Toezicht op bestuursorganen
Afdeling 10.2.1 Goedkeuring
Afdeling 10.2.2 Vernietiging
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen
Bijlage 1 Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g)
Bijlage 2 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (artikelen 8:5, 8:6, 8:7, 8:105 en 8:106)
Hoofdstuk 2 Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikelen 8:4, tweede lid, en 8:6)
Hoofdstuk 3 Beroep in eerste aanleg bij een andere rechtbank (artikel 8:7, derde lid)
Hoofdstuk 4 Hoger beroep (artikelen 8:105 en 8:106, eerste lid, onder a)
Bijlage 3 Regeling verlaagd griffierecht (artikelen 8:41 en 8:109)
Afdeling 9.2.3
Artikel 9:29
Aan de behandeling van het verzoek wordt niet meegewerkt door een persoon die betrokken is geweest bij de gedraging waarop het verzoek betrekking heeft.
Artikel 9:30
-
De ombudsman stelt het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, en de verzoeker in de gelegenheid hun standpunt toe te lichten.
-
De ombudsman beslist of de toelichting schriftelijk of mondeling en al dan niet in elkaars tegenwoordigheid wordt gegeven.
Artikel 9:31
-
Het bestuursorgaan, onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen – ook na het beëindigen van de werkzaamheden –, getuigen alsmede de verzoeker verstrekken de ombudsman de benodigde inlichtingen en verschijnen op een daartoe strekkende uitnodiging voor hem. Gelijke verplichtingen rusten op ieder college, met dien verstande dat het college bepaalt wie van zijn leden aan de verplichtingen zal voldoen, tenzij de ombudsman één of meer bepaalde leden aanwijst. De ombudsman kan betrokkenen die zijn opgeroepen gelasten om in persoon te verschijnen.
-
Inlichtingen die betrekking hebben op het beleid, gevoerd onder de verantwoordelijkheid van een minister of een ander bestuursorgaan, kan de ombudsman bij de daarbij betrokken personen en colleges slechts inwinnen door tussenkomst van de minister onderscheidenlijk dat bestuursorgaan. Het orgaan door tussenkomst waarvan de inlichtingen worden ingewonnen, kan zich bij het horen van de ambtenaren doen vertegenwoordigen.
-
Binnen een door de ombudsman te bepalen termijn worden ten behoeve van een onderzoek de onder het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, en bij anderen berustende stukken aan hem overgelegd nadat hij hierom schriftelijk heeft verzocht.
-
De ingevolge het eerste lid opgeroepen personen onderscheidenlijk degenen die ingevolge het derde lid verplicht zijn stukken over te leggen kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen onderscheidenlijk het overleggen van stukken weigeren of de ombudsman mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
-
De ombudsman beslist of de in het vierde lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
-
Indien de ombudsman heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
Artikel 9:32
-
De ombudsman kan ten dienste van het onderzoek deskundigen werkzaamheden opdragen. Hij kan voorts in het belang van het onderzoek deskundigen en tolken oproepen.
-
Door de ombudsman opgeroepen deskundigen of tolken verschijnen voor hem, en verlenen onpartijdig en naar beste weten hun diensten als zodanig. Op deskundigen, tevens ambtenaren, is artikel 9:31, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
-
De ombudsman kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van de eed of de belofte. Getuigen leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen en tolken dat zij hun plichten als tolk met nauwgezetheid zullen vervullen.
Artikel 9:33
-
Aan de door de ombudsman opgeroepen verzoekers, getuigen, deskundigen en tolken wordt een vergoeding toegekend. Deze vergoeding vindt plaats ten laste van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, indien het een gemeente, provincie, waterschap of gemeenschappelijke regeling betreft. In overige gevallen vindt de vergoeding plaats ten laste van het Rijk. Het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
-
De in het eerste lid bedoelde personen die in openbare dienst zijn, ontvangen geen vergoeding indien zij zijn opgeroepen in verband met hun taak als zodanig.
Artikel 9:34
-
De ombudsman kan een onderzoek ter plaatse instellen. Hij heeft daarbij toegang tot elke plaats, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
-
Bestuursorganen verlenen de medewerking die in het belang van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, is vereist.
-
Van het onderzoek wordt een proces-verbaal gemaakt.
Artikel 9:35
-
De ombudsman deelt, alvorens het onderzoek te beëindigen, zijn bevindingen schriftelijk mee aan:
het betrokken bestuursorgaan;
degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft;
de verzoeker.
-
De ombudsman geeft hun de gelegenheid zich binnen een door hem te stellen termijn omtrent de bevindingen te uiten.
Artikel 9:36
-
Wanneer een onderzoek is afgesloten, stelt de ombudsman een rapport op, waarin hij zijn bevindingen en zijn oordeel weergeeft. Hij neemt daarbij artikel 5.1 van de Wet open overheid in acht.
-
Indien naar het oordeel van de ombudsman de gedraging niet behoorlijk is, vermeldt hij in het rapport welk vereiste van behoorlijkheid geschonden is.
-
De ombudsman zendt zijn rapport aan het betrokken bestuursorgaan, alsmede aan de verzoeker en aan degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft.
-
Indien de ombudsman aan het bestuursorgaan een aanbeveling doet als bedoeld in artikel 9:27, derde lid, deelt het bestuursorgaan binnen een redelijke termijn aan de ombudsman mee op welke wijze aan de aanbeveling gevolg zal worden gegeven. Indien het bestuursorgaan overweegt de aanbeveling niet op te volgen, deelt het dat met redenen omkleed aan de ombudsman mee.
-
Bij de ombudsman berustende informatie over de klacht en het onderzoek die niet opgenomen in het rapport, is niet openbaar.
Artikel 9:36a
Voor zover een aan de ombudsman gericht verzoek op grond van de Wet open overheid betrekking heeft op door een bestuursorgaan verstrekte informatie ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 9:18, zendt de ombudsman het verzoek ter behandeling door aan het bestuursorgaan.