De bestuursrechter kan bepalen dat een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname van een zakelijke samenvatting van:

  1. het geven van inlichtingen bedoeld in artikel 8:44,

  2. het maken van mondelinge opmerkingen bedoeld in artikel 8:45a, tweede lid,

  3. het onderzoek ter plaatse bedoeld in de artikelen 8:50 en 8:51, en

  4. de zitting bedoeld in artikel 8:61,

het proces-verbaal bedoeld in deze artikelen, dan wel de aantekening van het verhandelde ter zitting bedoeld in artikel 8:61, tweede lid, vervangt.